T
U I
N T E K E N E N
Schalen.
Tekeningen van gebouwen en tuinen worden eigenlijk altijd 'op
schaal'
weergegeven. Dat wil zeggen dat er een verhouding is tussen de
werkelijk
maat en de maat op de tekening.
Een schaalvergroting is een tekeningverkleining.
Een schaalverkleining is een tekeningvergroting
Een paar voorbeelden:
Bij schaal: 1 : 200 is 2 cm. op de tekening in werkelijkheid 4 m.;
Bij schaal: 1 : 100 is 4 cm. op de tekening in werkelijkheid 4 m.;
Bij schaal: 1 : 50 is 8 cm. op de tekening in werkelijkheid
4 m.
In de kantoorboekhandel zijn speciale schaallinialen te verkrijgen
met
daarop de afstanden per gewenste schaal, zodat er niet steeds gerekend
behoeft te worden met kans op fouten maken.
Noordpijl.
De richting van de pijl is de richting die zon schijnt om ongeveer
12 uur 's middags. De pijl wijst dus altijd naar het noorden, vandaar
de
naam noordpijl.
![]() |
|
| fig. 1 |
Muren.
Op een tekening wordt een halfsteensmuur met twee lijntjes op 1 mm.
ingetekend, een steensmuur dan met 2 mm. en een spouwmuur met 3mm.
Trappen.
Met de pijl, welke altijd in een trap is ingetekend wordt de
stijgrichting
van de trap aangegeven.
![]() |
||||
| fig. 2 |
Om een juiste verhouding in een trap te krijgen zodat die goed
beloopbaar
is wordt gebruik gemaakt van een 'trapformule'
Deze trapformule is: (2x optrede) + 1 x aantrede) =
65 à 75 cm.
![]() |
||||
| fig. 3 |
Hieruit kunnen we concluderen, dat hoe groter de optrede is, des te kleiner de aantrede zal zijn, òf hoe kleiner de optrede des te groter de aantrede zal zijn. Ze zijn dus omgekeerd evenredig.
Het volgende voorbeeld zal dit duidelijke maken:
De optrede is: 15 cm.
Dan volgt hieruit, wanneer we de formule volgen:
(2x15 cm.)+(1x aantrede) = 65 à75 cm.
30 cm + aantrede = 65à75 cm.
aantrede = 65 à 75 cm - 30 cm
de aantrede is: 35 à 45 cm.
Belangrijk: In de praktijk zal de optrede meestal tussen de 12 cm. en de 18 cm. liggen!
Talud.
Op en tekening wordt een talud weergegeven door middel van lange
lijntjes
en korte lijntjes. De lange lijntjes geven de lengte van het talud weer
en de korte lijntjes het hoogteverschil.
Bij schaal 1 : 100 komen de lange lijntjes op 1 cm uit elkaar en de
korte er midden tussen in. (zie fig. 4 en fig. 5)
![]() |
![]() |
|||
| fig. 4 | fig. 5 |
| fig. 6 |
| fig. 7 |
In fig. 7 is de taludverhouding 1 : 3, dwz. Er is over een
horizontale
afstand van drie meter een hoogteverschil van één meter.
Tuintekenen.
Elke tekening dient altijd voorzien te zijn van de noordpijl en de
schaal!
Maak er daarom gewoonte van om daar altijd meet te beginnen als je
een tekening gaat maken.
Volgorde van werken bij het maken en verwerken van een tuinontwerp.
1 zorg voor de plattegrond van de woning;
2 zorg voor een tekening met gevels en een situatie(kadaster)tekening;
3 maak een veldschets met daarin eventuele andere obstakels als bomen,
kustwerken ed.:
4 nav. een gesprek met de opdrachtgever teken je de wensen aan;
5 dan volgt er het maken van een schetsontwerp;
6 voorzie dit schetsontwerp van een globale begroting:
7 in een tweede gesprek met de opdrachtgever gaat het om de goedkeuring
omtrent het (schets)ontwerp en de (globale)begroting;
8 nu zal het definitieve ontwerp gemaakt worden. Voorzien van:
9 beplantingsplan;
10 begroting;
11 werktekening, deze omvat maten, hoogtepunten en detaildoorsneden;
12 een bestek. Dit is een beschrijving omtrent uitvoering van het werk
en indien nodig inschrijfformulieren en plantlijsten.
Soorten van ontwerpen kunnen voor de volgende tuinen gelden:.
1. de stadstuin (bestaat uit voortuin en/of
achtertuin);
2. gemeenschapelijke voortuin;
3. bugalowtuin;
4. stadsvillatuin;
5. patiotuin;
6. fabriekstuin;
7. schooltuin;
8. heidetuin;
9. rozentuin (rosarium);
10. kruidentuin;
11. bostuin;
12. natuurlijke tuin.
en zo zijn er nog wel een aantal soorten te bedenken.
Naast de particuliere tuinen zijin er ook de meer openbare
groenvoorzieningen
zoals bijv.:
1. wegbeplanting;
2. erfbeplanting;
3. beplanting langs openbare weg;
4. parkbeplanting;
5. begraafplaatsbeplanting.
Ook hier zijn meerdere functies van openbare beplantingen denkbaar.
Soorten van beplantingen
1 heesterbeplanting;
2. kruidachtige plantenborder (vaste planten,
perkplanten,
bol en knolgewassen of een combinatie daarvan);
3. bloembakken;
4. bodembedekkende beplanting;
5. vijverbeplanting en moerasbeplanting;
6. klim- en leiplanten;
7. rosarium;
8. hagen, vrijgroeiend of geknipt;
9. rotstuinbeplanting.
Praktische indeling van het plantmateriaal.
(bij 'toegepaste beplantingsleer' verderop in deze site zal op de
diverse
soorten van planten ingegaan worden)
loofhout: a. bomen
b. heesters 1. bladverliezend
2. bladhoudend.
c. ericaceeën
d. klimplanten
e. leiplanten
f. haagplantsoen
g. bosplantsoen
h. rozen: 1.
kleinbloemige
soorten (polyantha)
2. grootbloemige soorten (theehybriden)
3. lambertiana
4. leirozen
5. botanische rozen.
naaldhout: a. naaldverliezende coniferen
b. naaldhoudende coniferen.
kruidachtige planten.
a. éénjarige planten
b. tweejarige planten
c. vaste planten
d. bol- en knolgewassen
e. varens
f. siergrassen
g. gazongrassen
h. waterplanten
i. klimplanten
j. leiplanten
inheemse planten ( voor deze categorie kan dezelfde opsomming
gemaakt worden als hierboven staat.)
SCHEMA VAN FAKTOREN.
A. Faktoren verbonden aan plantmateriaal;
B. Faktoren verbonden aan de 'dode' materialen;
C. Faktoren verbonden aan de ontwerper
(beplantingssamensteller).
A. FAKTOREN VERBONDEN AAN PLANTMATERIALEN.
1. Direkte of zichtbare faktoren;
2. Indirekte of onzichtbare of groeifaktoren.
1. Direkte faktoren.
a. de habitus. Deze wordt gevormd door:
- hoogte;
- vorm;
- textuur;
- kleur.
b. de bloeitijd;
c. de bloemkleur;
d. de vruchtvorming;
e. de wintertoestand.
2. Indirekte faktoren:
a. de zuurgraad;
b.. de lichtbehoefte;
c. de grondsoort;
d. de vochtigheidsgraad (waterhuishouding);
e de klimatologische faktoren: - wind;
- zeewind (zout);
- nachtvorst;
- wintervorst.
a. Habitus.
Dit is de uitwendige verschijningsvorm van alle materialen.
De habitus wordt bepaald door: hoogte; vorm; textuur en kleur.
- Hoogte:
Bomen: 1ste
grootte:
groter dan 12 meter;
2de grootte:
6
tot 12 meter;
3de grootte: kleiner dan 6 meter.
Heesters: 1ste
grootte:
groter dan 4 meter;
2de
-
1 tot 4 meter;
3de
-
½ tot 1 meter;
4de
-
kleiner dan ½meter.
Vaste planten:
laag:
0 tot 30 cm.;
middellaag: 30
tot
60 cm.;
middelhoog: 60 tot 100
cm.;
hoog:
hoger dan 100cm.
Opmerking 1.: deze afmetingen zijn gebaseerd op vowassen planten.
-
2.: Bij het verhandelen van planten en bomen spreken we niet over deze
afmetingen of 'groter dan', maar over een
bepaalde
maat. Hierop zal later teruggekomen worden.
- Vorm.
BOMEN: bolvorm;
treurvorm;
pyramidevorm;
zuilvorm;
rond.
Opm.: Van al deze vormen kan de contourvorm of omtreksvorm regelmatig
of onregelmatig zijn.
HEESTERS: opgaand;
breeduitgroeiend;
overhangend;
bodembedekkend.
CONIFEREN: Deze kunnen zowel de vormen van de bomen als die van de heesters hebben.
KRUIDACHTIGE PLANTEN: De vormen zijn dezelfde als die van de
heesters.
Textuur:
Hieronder verstaan we de aard van de samenstellende onderdelen.
De textuur wordt bepaald
door:
bladvorm;
bladgrootte;
bladstand (knopstand of takstand).
De aard kan grof of fijn zijn; daarom spreken we van
een
grove of een fijne textuur.
Bijv. Quercus rubra - grove textuur
Quercus
robur
- fijne textuur.
Kleur.
Hiermee bedoelen we de blad- twijg- en schorskleur, omdat deze het
gehele jaar of een groeiseizoen aanwezig zijn. Dit in tegenstelling tot
de herfstkleur, welke slechts enkele weken per jaar aanwezig is.
Bloeitijd.
Deze kan zijn: a. per jaargetijde;
b. 12 maanden per jaar.
De wijze van verhandelen van bomen en planten.
Naast het weergeven van de grootte van de te verhandelen plant wordt
ook aangegeven:
- de containergrootte bij containerteelt;
- aantal keren verplant;
- of de plant veredelt si of op eigen wortel staat;
- met of zonder kluit geleverd;
- in vorm gesnoeid is;
- geknopt of niet geknopt
BOMEN.
De maat wordt weergegeven in de stamomvang op 1 meter boven de grond.
bijv.: 8/10;
10/12;
12/14;
14/16
Ook zie je wel eens staan 16-op, dwz. elke maat groter dan 16 wordt
geaccepteerd.
Daarnaast wordt aangegeven of het een halfstam of hoogstam betreft.
HEESTERS en CONIFEREN.
Deze soorten worden verhandeld door de maten in cm. hoogte weer te
geven.
Bijv.: 20/40;
40/60
100/125 enz.
Bij hesters en coniferen met een 'platte' groeiwijze worden de maten
niet in cm.-hoogte weergegeven, maar in cm.-doorsnede.
ROZEN worden verhandeld in:
1ste
kwaliteit
3 of meer takken;
2de
-
2 takken;
3de
-
1 tak.
BOS- en HAAGPLANTSOEN.
Hier vindt de verhandeling plaats onder: spil;
1jarig vertakt;
2jr. vertakt ;
meerj. vertakt.
Verhandeling kan ook gebeuren met de vermerlding:
met kluit;
in pot (container);
wortelgoed (zonder kluit of gebost).
![]() |
||||
| fig. 7 |
BOL- en KNOLGEWASSEN.
De verhandeling van de bol- en knolgewassen zal later aan de orde
komen.
Bloeiwijze
De manieren van bloeien kunnen we als volgt onderscheiden:
- aarvormig;
- trosvormig;
- pluimvormig;
- schermvormig;
- samengesteld schermvormig.
Bij het maken van plantencombinaties letten we behalve op de kleur
en bladvorm ook op de bloeiwijze en zoeken naar een contrast in
bloeiwijze
zoals bijv. aarvormig - schermvormig.
Herfstkleuren.
De intensiteit van de herfstkleuren hangt sterk samen met de
vochtigheidsgraad
van de grond.
Droge gronden + droge zomers geven kleurige herstkleuren;
Natte zomers + nate gronden geven minder intensieve herfstkleuren.
Alleen die planten die de benodigde kleurstoffen bezitten gaan in de
herfst verkleuren.
Enkele planten die deze stoffen veel bezitten en daardoor veel
verkleuring
kunnen geven zijn bijv.: Amelanchier;
Aronia;
Quercus;
Liquidambar;
Sidalcea.
Vruchtvorming.
Ook de vorming van vruchten kan van belang zijn voor de plantkeuze
in een ontwerp.
Behalve de grootte, kleur en vorm, kan de reden zijn om met de vruchten
dieren (bijv. vogels, egels en muizen) naar de tuin te trekken.
We onderscheiden groot- en kleinvruchtigen.
Ook kunnen we onderscheid maken naar kleuren.
Bepaalde vruchten zijn vorstgevoelig, anderen juist weer niet.
De draagtijd kan enorm verschillen. Bij sommige soorten is dat slechts
een aantal weken en bij andere soorten kan dat uitlopen tot een jaar.
Wintertoestand.
De wintertoestand van een plant kan van groot belang zijn voor de keuze
in het plan. In grote lijnen kunnen we een verdeling maken in:
groenblijvend
(bladhoudend - bladverliezend - halfgroenblijvend (halfbladverliezend).
De schoonheid van de bladverliezende planten is in de winter gelegen
in: habitus, textuur en kleur van het hout (stam en twijgen)
De schoonheid van de bladhoudende heesters is in de winter gelegen
in de rust die van de (groene) kleur uitgaat.
Daarnaast kunnen voor bomen, heesters en kruidachtige planten de
uitgebloeide
bloeiwijze en/of de vrucht een bijzondere schoonheid in de
wintermaanden
opleveren.
Om een tuin,
maar een border zeker, op een juiste manier harmonieus aan te leggen is
het noodzakelijk om naast de kennis van de hoogte, vorgevng en bladvorm
ook de blad- en bloemkleur te kennen en op de juiste manier in te
delen. Daarvoor is het belangrijk enige kennis van de KLEURENLEER te
hebben.
| Home | volgende pagina | vorige pagina | ||