Het vermeerderen van houtige gewassen.
Het vermeerderen van houtige gewassen kan op vele manieren gebeuren.
1. Zaaien.
2. Stekken zomerstek, winterstek, meristeemkultuur, afleggen, wortelstek.
3. Oculeren of oogenten, enten met griffel, zoogenten
4. Klonen
1.
Zaaien
Het zaaien van houtige gewassen (heesters en bomen) gebeurt voor de produktie zeer weinig tot vrijwel nooit, muv. soorten voor bosplantsoen zoals eik, beuk, els, meidoorn, lijsterbes enz. en onderstammen. Ook wilde (botanische) rozen worden veel uit zaad opgekweekt, alsmede de rozen die dienen als onderstam om op te oculeren.
Voor het veredelen van veel soorten heesters en bomen zijn 'onderstammen' nodig (een onderstam is een wilde varieteit van de soort die men hebben wil en wordt gebruikt om op te enten of te oculeren); deze onderstammen worden in veel gevallen ook verkregen door zaaien.
Zaaien van houtige gewassen wordt ook gedaan om te komen tot nieuwe soorten en varieteiten. Bewust kruisen van varieteiten om zaad te winnen om zo een nieuwe varieteit te krijgen is een echt liefhebbers- en geduldwerk en wordt veel gedaan bij rozen en bijv. rhododendrons. Ook bij fruit wordt vaak op deze manier naar nieuwe rassen gezocht.
Tot enkele tientalle jaren gelden werden bijv. ook alle notenbomen (Juglans) uit zaad opgekweekt. Tegenwoordig zijn er meerdere varieteiten walnoten welke ge-ent worden op door zaaien verkregen onderstammen.
Er zijn op het zaaien van houtige gewassen en onderstammen gespecialiseerde bedrijven. Het zaaien van onderstammen vereist veel vakkennis en kundigheid. Elk zaad heeft zo eigen behandelingsmethode. Een van die methodes is het stratificeren van het zaad. Deze handeling bestaat eenvoudig gezegd in het uitzaaien in vochtig zand gedurende een bepaalde periode en bij een bepaalde temperatuur en gebeurt om de kiemkracht te bevorderen en de opkomst te vergroten. Zaden van andere planten hebben echter een periode van lage temperaturen nodig om tot kieming opgewekt te worden, dit noemen we zgn. 'koudekiemers'. Deze soorten worden in een diepvries bij voor elke soort eigen temperatuur en gedurende per soort afhankelijke periode opgeslagen.
Ook de zaaidiepte en de grondsoort kunnen van groot belang zijn bij de opkweek van houtige gewassen uit zaad. De kweek van houtige gewassen en onderstammen geschiedt veel in Brabant, Gelderland, Oost-Groningen en in de Flevopolders.
2. Stekken.
Houtige gewassen
kunnen ook vermeerderd worden dmv. stekken. Misschien wel de meest
gebruikte
manier om te vermeerderen.
Deze vorm van
vermeerderen (stekken) noemt men: 'vegetatief vermeerderen',
dit
in tegenstelling tot zaaien wat een 'generatieve' vorm
van
vermeerderen is.
We kunnen het
stekken in verschillende manieren onderverdelen:
1.Naar tijd:
a. zomerstek;
b. winterstek.
2.
Dan is er een
vorm van stekken welke niet zo heel veel meer gebruikt wordt, nl.
'afleggen'.
3.
In een
labaratorium wordt er gestekt dmv. meristeemkultuur.
4.
wortelstek.
1a. zomerstek.
Zomerstek wordt op
vele manieren gemaakt tijdens de groeiperiode van de houtige gewassen.
Er zijn
vele vele manieren om zomerstek te maken, verwerken en op te kweken.
ook hier
weer is elke behandeling en kweekwijze afhankelijk van de soort. Zo
worden
sommige soorten coniferen (Taxus bijv.) gestekt onder waternevel om een
goed en
hoog resultaat te verkrijgen. (het gaat te ver om uit te leggen wat
'stekken
onder waternevel' precies allemaal inhoud), weer andere soorten kunnen
in een
koude bak/kas onder glas gestekt worden, terwijl ander een warme
bak/kas nodig
hebben of er dubbel glas gebruikt moet worden. andere soorten willen
juist een
(tijdelijke) afdekking met plastic om goed te bewortelen, terwijl weer
andere
soorten direkt zullen schimmelen wanneer ze afgedekt worden met plastic.
Vaak worden, en
zeker bij planten met grotere bladeren de bladeren gedeeltelijk
weggesneden,
maar er zijn ook weer soorten waar dit absoluut niet mag. Elke soort
heeft zijn
eigen periode waarin het stekken het meeste resultaat zal opleveren. Al
deze
bijzonderheden van verwerken kunnen dus per soort verschillen, maar om
het nog
ingewikkelder te maken kunnen de varieteiten van een soort daar ook
weer in
verschillen. Het kan zelfs gebeuren dat van een en dezelfde soort de
ene
varieteit in juni gestekt moet worden, terwijl de andere varieteit
beter in
maart gestekt moet worden, maar weer een andere varieteit van
winterstek
gemaakt kan worden.
Ook het behandelen
van de stek en de manier van wegsteken kan heel belangrijk zijn. Veel
stekken
moet (licht) verwond worden; andere soorten mogen niet verwond worden.
Sommige
soorten moeten rechtop, terwijl andere soorten juist weer schuin
gestoken
moeten worden. Er zijn soorten planten waarvan de wond van de stek
eerst moet
drogen, maar bij anderen mag dat absoluut niet en moeten ze direkt
weggestoken
worden.
Ook de lengte van de
stek kan van groot belang zijn. Zo spreek men van lidstek of
tweelidstek;
lidstek wil zeggen dat een stekje een knop (soms twee) bevat (het
stekje
bestaat uit een lid), tweelidstek (of meerlidstek) bestaat uit twee of
meer
lidstukken).
Maar we zijn er nog
niet! Veel stek moet behandeld worden met groeistof om tot beworteling
te
kunnen komen. Groeistoffen zijn er in vele soorten en elke soort
behoeft een
eigen groeistof. sommige stekken dienen echter in groeistofpoeder
gedoopt te
worden, terwijl anderen in opgeloste groeistoffen gedompeld moeten
worden. Weer
anderen moeten gedurende een vastgestelde periode van enkele minuten,
uren of
zelfs dagen een groeistofbehandeling ondergaan.
Tot slot in deze
vogelvlucht door de stekwetenschap nog iets over het stekmedium. Het
medium
waarin de stek wordt weggestoken kan ook van groot belang zijn. Elke
soort
vraagt zijn eigen zuurtegraad en samenstelling. Veel wordt gebruik
gemaakt van
een mengsel van turfmolm en zand in per soort wisselende verhoudingen.
Ook zijn
er wel andere materialen die als stekmedium gebruikt worden, ik zal
daar hier
echter niet verder op ingaan, behalve later bij het meristeemkultuur.
Om nu precies te
weten welke heester welke behandeling, groeistof, stektijd enz. nodig
heeft
wordt er door het Laboratorium voor Boomkwekerijgewassen steeds
onderzoek
gedaan. Die onderzoeken worden regelmatig gepubliceerd in een
'stekjaarboek'
van waaruit een kweker weer zijn informatie kan halen.
Er zijn bedrijven
welke zich geheel en al hebben toegelegd op het vermeerderen van
houtige gewassen
door stek. Vaak zijn ze dan ook nog eens gespecialiseerd op een of
enkele
soorten of zelfs varieteiten. De gewortelde stekken worden dan verkocht
aan
boomkwekerijen waar de stekken worden opgepot of uitgeplant om tot
leverbare
planten te worden opgekweekt.
1b.
winterstek.
Één
van de meest gemakkelijke
manieren voor het vermeerderen
van houtige gewassen is waarschijnlijk wel door ‘winterstek’Winterstek
wordt meestal gemaakt in de maanden dat
een
heester of boom in ‘rust’ is, hetgeen wil zeggen dat de sapstroom
vrijwel tot
stilstand is gekomen. Dit is bij ons in de gematigde zone van het
Europese
vasteland het geval in de wintermaanden. Vanaf november kunnen de
stekken geknipt worden
voor de
meeste gewassen; een enkele uitgezonderd, maar meestal wordt winterstek
geknipt
in februari/maart, maar wel wanneer er niet te veel vorst is. Achter de soort zal een eventuele
uitzondering straks in de lijst van soorten vermeld staan.
In enkele gevallen worden stekken met hiel
gemaakt, dat wil
zeggen dat de stek niet geknipt wordt maar vanaf de moederplant
‘getrokken’
wordt zodat er een stukje aan de stek blijft zitten (hieltje). Dit is
het geval
bij Cotoneastersoorten. (dwergmispels)
Het is verstandig om voor winterstek niet te jonge
stukken
te nemen (zacht stek) maar juist de verhoutte twijgen.
Meestal maakt men stekken van ongeveer 20 cm.
lengte. De
stekken worden aan de onderzijde schuin afgesneden; ongeveer onder een
hoek van
45°. Daarna wordt er een lichte
verwonding van de bast aan de onderzijde gemaakt over de lengte van
ongeveer 2
cm. Let wel op dat na het knippen van
de twijgen voor het maken van stek en na vooral het maken van het stek
dat
onder- en bovenkant niet verwisseld worden!
Nadat de stekken zijn gemaakt en aangesneden laten
we ze een
halve dag ‘drogen’
Nu de stekken gemaakt zijn worden ze opgeslagen
tot het
moment dat ze in het voorjaar kunnen worden weggestoken. Dit opslaan
(opkuilen)
van stek gebeurt op een koele zeker niet te vochtige plaats. Een
boomkweker
doet dit meestal in een onverwarmde kas of bak. Mocht er kans bestaan
op zware
vorst dan zal de stek beschermd moeten worden aangezien ze geenszins
mogen
bevriezen. Niet omdat de stekken de koude niet zouden verdragen maar
omdat ze
dan te sterk zouden kunnen indrogen.
Ik kuil de stek meestal op in een dichte plastic
kist zonder
deksel gevuld met vochtig (pas op niet te nat maken) zand (pas op echt
rivierzand of geel (woud)zand ivm. zout). De stekken worden netjes in
rijtjes
dicht tegen elkaar in een geul gezet of in bosjes bij elkaar gebonden. Later zullen de stekken tot de helft in de
grond gestoken worden en ook nu worden de stekken tot de helft van de
lengte
gekuild; zeker niet dieper opkuilen.
Het opkuilen wordt in de professionele kwekerij
steeds
minder gedaan, daar worden de stekken tegenwoordig in koelcellen
bewaard bij
een temperatuur van rond de 0° C. netjes verpakt in plastic folie.
In maart/april
kunnen we de stekken uit de kuil
halen en op
een bed of hoekje van de tuin gaan ‘wegsteken’. Wanneer we de stekken
uit de
kuil halen zien we aan de basis van de stek vaak verdikkingen en
vergroeiingen:
‘callus’ genaamd. Hieruit zullen de wortels zich gaan ontwikkelen en
daarom
moeten we daar heel voorzichtig mee omgaan. Gezorgd moet worden voor
een goed
losgewerkte grond welke echter voor het steken weer enigszins wordt
aangedrukt
om te voorkomen dat de stekken te los komen te staan en gaan staan
bewegen.
Hierdoor kunnen de jonge worteltjes beschadigd raken en kan de stek
alsnog
afsterven na de beworteling. De stekken worden ongeveer voor de helft
in de
grond gestoken (op echte veengrond slechts voor 1/3, maar op kleigrond
voor
2/3). De onderlinge afstand kan 10 x 10 cm zijn. Gewoonlijk (heel
enkele
soorten worden schuin gestoken) worden de stekken recht in de grond
gestoken.
Het is verstandig om nadat de stek (of een regel) gestoken is, en men
ziet dat
de stekken toch niet stevig staan, de grond rond de stek(ken) weer
licht aan te
drukken, zodat de stek goed stevig staat.
Ook is voorzichtigheid geboden gedurende de eerste
tijd met
stoten tegen de stekken (pas dus goed op met schoffelen gedurende de
eerste
maanden!!!) en te grote nieuwsgierigheid om te kijken of de stekken al
beworteld zijn zal vaak afgestraft worden met afsterven van de jonge
plant.
Bij erg drogend weer zal het noodzakelijk zijn om
de stekken
licht te besproeien. Te veel vocht is echter uit den boze en zal de
stekken
doen rotten. Daarom moet ook gekozen worden voor een niet te vochtig en
niet te
winderige enigszins tegen zonlicht beschermde plaats.
Als de planten na enige maanden een gedegen
wortgestel
hebben en met een aantal takken zijn doorgegroeid is het zaak om te
gaan
snoeien. Het is vaak eind juni wanneer duidelijk aan de sterke groei
van jonge
takken te zien is dat de stek goed is aangeslagen. We knippen dan de
gegroeide
jonge takjes terug tot 2 of 3 knoppen vanaf de stek. Hierdoor zullen
deze
knoppen gaan uitlopen en zullen er meerdere takken gevormd worden.
In de professionele boomkwekerij zullen de
nieuwgevormde
heesters in de herfst als de planten in de winterrust zijn gekomen
worden
opgerooid, om vervolgens te worden opgekuild. In het voorjaar daarna
worden ze
wederom flink teruggesnoeid en opnieuw worden geplant op een grotere
afstand,
afhankelijk van de soort maar gemiddeld 30 cm, van elkaar zodat er
stevige
planten kunnen gevormd worden om verhandeld te worden.
In een aantal gevallen (bijv. bij Ligustrum)
worden de stekken al direct het eerste najaar verkocht.
Het kan een zeer leuke bezigheid zijn om zo eigen
gekweekte
planten in je tuin te krijgen of weg te geven.
Natuurlijk hebben we met ‘levend’ materiaal te maken en het
succes kan
per keer enorm verschillen. Daarbij zijn sommige soorten makkelijk en
andere
soorten of zelfs variëteiten weer minder makkelijk op deze wijze
op te kweken.
Een kleine waarschuwing is misschien nog wel op
zijn plaats.
De stek kan het best gestoken worden op een voedingrijke grond, maar
vers
opgebrachte mest kan de stek doen verbranden!!! Dus beter niet
wegsteken in
grond welke van verse mest is voorzien.
Soorten geschikt voor het maken winterstek zonder al te veel problemen:
|
Buddleja davidii (vlinderstruik) |
al in november knippen en opkuilen om
goed
callus te |
|
Callicarpa bodinierii |
Stek knippen voor de winter |
|
Caragana arborescens (erwtenstruik) |
|
|
Colutea arborescens (blazenstruik) |
|
|
Cornus alba ‘Sibirica’ (rode kornoelje in alle variëteiten) |
|
|
Cornus stolonifera ‘Flaviramea’ (gele kornoelje) |
|
|
Deutzia in soorten |
Prof. meestal zomerstek |
|
Eleagnus multiflora (wilde olijfwilg) |
|
|
Forsythia in soorten (chinees klokje) |
Door knop snijden onderaan |
|
Laburnum in soorten (gouden regen) |
In maart knippen en direct steken |
|
Ligustrum in soorten (liguster) |
|
|
Metasequoia glyptostroboïdes |
Stekken als de knoppen open gaan |
|
Parthenocissus in soorten (Wilde wingerd) |
Maart knippen en direct steken |
|
Philadelphus in soorten (jasmijn) |
|
|
Polygonum aubertii (bruidsluier) |
|
|
Populus in soorten (populier) |
|
|
Potentilla div. soorten vnl de hogere soorten als fruticosa-variëteiten |
|
|
Ribes alpinum (alpenbes) |
|
|
Ribes sanguineum (rode ribes) |
|
|
Ribes rubrum(aalbes in soorten en variëteiten) |
|
|
Ribes nigrum (zwarte bes) |
|
|
Ribes uva-crispa (kruisbes) |
Naalden wegknippen. |
|
Salix (wilg) in soorten en variëteiten |
|
|
Sambucus (vlier) in alle variëteiten |
|
|
Spiraea arguta (spierstruik) |
|
|
Spiraea bumalda ‘Anthony Waterer’ (--) |
|
|
Spiraea vanhouttei (--) |
|
|
Symphoricarpus in soorten en var. (sneeuwbes) |
Symph. Chen. ‘Hancock’ alleen zomerstek |
|
Weigelia in soorten en var. |
|
Ook bij de kweek van
onderstammen wordt vaak gebruik gemaakt van dit systeem. Bijv. de kweek
van
vruchtboomonderstammen geschiedt heel veel dmv. winterstek.
Sommige soorten
houtige gewassen worden al ge-ent op winterstek als deze nog
ongeworteld is en
dan wordt de onderstam, geent en al, in het voorjaar in de grond
gestoken.
Echter deze techniek kan alleen in zeer uitzonderlijk situaties bij een
heel
beperkt aantal houtige gewassen worden toegepast.
2.Afleggen.
Dat heeft niets met verkeerde verkoop te maken.
Afleggen is een vorm van vermeerderen welke nog zeer zelden wpordt toegepast in de professionele boomkwekerij. Bij de hobbykwekers echter nog veelvuldig in gebruik. Het is een zeer effektieve en gemakkelijke manier van kweken.
Men neemt een tak en buigt die vervolgens naar beneden tot aan de grond. Op de plek waar de tak de grond raakt schrap je een klein beetje van de bast af en vervolgens leg je de tak op de grond en zet he vast met twee schuin in de grond aan weerszijden van de tak gestoken takjes (een stevig u-vormig gebogen stukje ijzerdraad kan ook goede diensten bewijzen). Daarna dek je de plek toe met een beetje grond. Wanneer de tak voldoende lengte heeft maak je een tweede schrapje en zo mogelijk een derde, 4de enz.
Laat de tak wel gewoon aan de plant vastzitten; dus NIET afknippen!!
Op de plek(ken) waar het schrapje gemaakt is zullen wortels gaan groeien en zal dus een nieuw plantje gaan ontstaan. Is eenmaal duidelijk dat er een nieuw goed geworteld plantje is ontstaan dan kun je de tak losknippen van de moederplant (moer of moerplant).
Neem bijv. eens een rode kornoelje (Cornus alba 'Sibirica') die je op deze wijze kunt vermeerderen en stel dat er 10 takken van 2 meter opzitten die je gebruiken kunt. Je legt ze plat en je kunt elke tak om de 15 cm een schrapje geven....... Dan heb je al bijna een produktieve boomkwekerij!!!
Vele heesters zijn op deze wijze te vermeerderen.
3.
Meristeemkultuur.
Meristeemkultuur ook wel weefselkweek genoemd, is een vorm van stekken dat in een laboratorium gebeurt. Men neemt de groeipunten van een de struik en snijdt deze tot heel kleine deeltjes, welke in een geschikt medium worden geplaatst. Uit een klein stukje van een groeipuntje kunnen in principe oneindig veel vrijwel identieke planten gekweekt worden. Door het uiterste groeipuntje te nemen is het overbrengen van ziektes in de nakomelingen vrijwel nihil, aangezien in dit deel geen ziektes aanwezig zijn. twwe grote voordelen dus:
a. ziektevrije (virusvrije) planten
b. identieke planten, gelijk aan de moederplant.
Nadeel:
Het is een zeer kostbare manier van vermeerderen.
Uit het, in groeimedium geplaatste deeltje van de groeipunt, komen kiemen te voorschijn die uitgroeien tot kleine plantjes. Deze kunnen weggehaald worden en het beginmateriaal kan weer opnieuw groeischeutjes gaan maken. Allemaal identieke planten.
Planten op deze wijze gekweekt worden nog eens extra gekeurd en is de kloon goedgekeurd dan kan de opkweek beginnen. Dergelijke planten krijgen het certificaat 'virusvrij produkt', wat voor de export van zeer groot belang kan zijn en de waarde van dergelijke planten aanzienlijk doet stijgen op de markt.
Deze vorm van stekken wordt veel toegepast bij oa. snijbloemen, kamerplanten en bij boomkwekerijgewassen als Rhododendron.
4.
Wortelstek.
Een andere gebruikte manier van vermeerderen bij bepaalde gewassen welke op andere wijze moeilijk (ssortecht) te vermeerderen zijn, is dmv. wortelstek. Op de wortels van de plant moeten dan wel (adventief)knoppen aanwezig zijn. De planten waarvan men stek wil nemen moeten een flinke groeiperiode achter de rug hebben zodat er een behoorlijk woortelstel aanwezig is. Hiervan worden de wortels genomen die dan in een kistje worden weggestoken en afgedekt met een laagje los materiaal.
Deze vorm van stekken wordt wel toegepast bij:
Actinidia deliciosa, Aralia elata, Aristolochia, Asimina triloba (pawpaw-fruitboom), Buddleja, Campsis radicans, Chaenomelis, Clerodendron, Cytisus, Elaeagnus (stekken in voorjaar), Ficus carica, Hibiscus, Hippophae rhamnoïdes , Phlox paniculata, Populus alba, Prunus avium , Rhus (stekken in voorjaar) en Robinia.
Vervolgens zijn er nog een aantal technieken van stek maken en/of verwerken. Zo zijn zijn bepaalde soorten die beter wortelen wanneer stek wordt gemaakt met een 'hieltje' Dwz. de stekjes worden zo van de moederplant getrokken dat er een klein stukje bast meekomt; met dit stukje bast aan het stekje wordt het in de grond gestoken.
Echter de andere vormen en technieken zijn in de meeste gevallen allen bestemd voor specifieke soorten.
Marcotteren.
Mrcotteren is een soort van stekken dat in de boomkwekerij vrijwel niet wordt toegepast. Het is meer een vorm van vermeerderen voor (houtige) kamerplanten.
Op een tak wordt een beschadiging gemaakt welke wordt omwonden met een vochthoudend medium (vroeger werd sphagnum = soort mos gebruikt) gewonden. Dit medium wordt in plastic verpakt en aan de boven en onderkant dichtgebonden. Op de wond zal nu callusvorming (callus = wondweefsel) gaan plaatsvinden waaruit wortels zullen gaan groeien.
Vroeger werd deze vorm ook wel bij de vermeerdering van vruchtbomen toegepast.
Enten.
Vermeerderen door 'enten'
kent meerdere technieken:
a. Oculeren of
oogenten
b. Spleetenten,
copuleren en enten onder een lip.
c.
zoogenten
a. Oculeren of
oogenten.
Oculeren is afgeleid
van het woord oculus, dat 'oog' betekent.
Voor het
vermeerderen op deze wijze wordt een oculus, oog (=knop), van een soort
genomen
dat men vermeerderen wil. Dit oog wordt met en scherp mesje met een
stukje bast
van de moerplant weggesneden. Nu is het de bedoeling dat dit oog (knop)
onder
de bast van de onderstam (wilde varieteit) wordt geimplanteerd, ge-ent.
Hiervoor wordt in de
bast van de onderstam een T-vormige snee gemaakt; de bast wordt
voorzichtig uit
elkaar gebogen en het oog wordt onde de opengevouwen bast geschoven. De
bast
wordt weer dichtgeslagen en omwonden met raffia of tegenwoordig met
elastiek.
Het is nu de bedoeling dat de ent (het oog) vocht en voeding via de
sapstroom
van de onderstam krijgt en zo zal gaan vergroeien. Daarna zal het
geplaatste
oog gaan uitlopen en ontstaat er een tak van de gewenste plant.
Deze vorm van
vermeerderen vindt veel plaats bij rozen. Vroeger gebeurde dat veel 'in
het
veld' Dwz. dus terwijl de onderstammen met de wortels in de grond
stonden. Het
was vreselijk zwaar werken op die manier aangezien men de gehele dag
voorover
gebukt moest staan en een zeer secuur werkje moest uitvoeren. Gelukkig
gebeurt
het werk tegenwoordig door de onderstammen op te potten en kan men
rustig
zittend aan een werktafel de oculaties aanbrengen.
Vaak worden op een
plant meerdere oculaties aangebracht (2 tot 3) dit om zekerheid te
hebben dat
er een gecultiveerde plant ontstaat en om zo een mooier gevormde plant
te
krijgen.
Ook vruchtbomen
worden wel gekweekt dmv. oculatie.
Bij oculeren blijven
eerst het loof en de twijgjes boven de oculatie zitten om zo een goede
sapstroom naar het oculatie-oog te garanderen. Na de duidelijke
aangrooei, door
het uitlopen van de oculatie als teken van vergroeiing wordt de
begroeiing
boven de oculatie weggenomen. Vaak is de wilde onderstam een meer
krachtige
groeier dan de ge-ente varieteit en zal altijd weer proberen terug te
komen met
scheuten; denk daarbij aan de wilde scheuten bij de rozen.
b. Spleetenten,
copuleren en enten onder een lip.
toelichting
vooraf.
het mes.
Om te enten wordt er
gebruik gemaakt van een entmes. Er zijn voor linkshandige mensen
speciale
messen in de handel. Dit is van groot belang want voor het juist
aansnijden van
de griffel en de stam moet het mes behalve scherp en schoon ook een
zuiver
vlakke kant hebben om zo een vlakke snede te maken waar griffel en stam
elkaar
raken. Dit moet zeer nauwkeurig aansluiten en is van groot belang voor
een
goede aangroei.
Ook het onderhoud
van het mes is van groot belang. Tijdens het enten moet regelmatig,
enkele
keren per dag, het mes geslepen, gewet, worden om een strakke scherpe
aansnijding
te houden. Een entmes heeft altijd een zuiver vlakke kant en een
eningszins
bolle kant. De vlakke kant mag NOOIT geslepen worden, hooguit wat
schoongemaakt
op de wetsteen. Op de bolle kant zit een snijvlak onder een hoek van
ongeveer
30 graden.
Ook moet het mes
regelmatig ontsmet worden om geen mogelijke ziektekiemen te
verspreiden. Bij
het enten van bepaalde soorten met veel harsachtige stoffen wordt wel
met twee
messen gewerkt; eentje om de stam aan te snijden en eentje om de
griffel aan te
snijden. Door het aankleven van de hars zal hier nog vaket het mes
gereinigd
moeten worden.
de onderstam.
Het gebruik van de
juiste onderstam is ook van het grootste belang. Een niet juiste
onderstam kan
onvolledige verenigbaarheid tot gevolg hebben. Dit is een uitdrukking
voor
allerlei problemen die zelfs nog jaren later naar voren kunnen komen.
Geen of
slechte aangroei en slecht transport van vocht en voedingsstoffen leidt
tot
vergroeiingen of afbreken op de entplaats. Zeer bekend zijn de grote
verschillen in dikte die soms optreden tussen de kroon en de onderstam
bij
sierkersen en vruchtbomen.
bevestiging.
Van belang is ook
het entgaren of elastiek dat wordt gebruikt. Dit moet gemaakt zijn van
een vrij
degelijk materiaal maar moet ook weer zelf afbreekbaar zijn, zodat
nadat de ent
en de stam vergroeid zijn deze, tijdelijke, verbinding los zal springen
bij de
diktegroei en niet zal gaan insnoeren. Ook het bevestigen van het
entgaren/elastiek is van groot belang; het mag niet te strak zodat er
mogelijk
een belemmering van de sapstroom kan ontstaan, maar het mag ook weer
niet te
los omdat dan kans bestaat op verschuiven van de ent en onderstam
bestaat.
de tijd.
1. Het vermeerderen
door enting vindt vaak plaats gedurende de wintermaanden. Om de ent en
de
gemaakte wond niet te laten verdrogen wordt er, nadat onderstam en ent
met
elkaar verbonden zijn door een draad, elastiek of plakbandje, gebruik
gemaakt
van entwas. Vroeger gebruikte men hiervoor bijenwas, tegenwoordig is
dit een
synthetische was die vaak ook een (groei)stof bevat welke de aangroei
bevorderd. Deze entwas dient zorgvuldig de gehele wond te bedekken en
soms ook
zelfs de griffel, zodat uitdrogen voorkomen wordt. Daarna worden de
onderstammen opgekuild om in het voorjaar uitgeplant te worden.
Tegenwoordig
worden ze ook vaak opgepot en als containerkultuur verder doorgekweekt.
2.
Wanneer
gedurende het groeiseizoen wordt geent wordt er vrijwel nooit entwas
gebruikt.
De spastroom is dan in de onderstam aanwezig en zal dus ook de
geplaatste
griffel van vocht en voeding voorzien zodat verdrogen uitgesloten is.
de nazorg.
Het verwerken van de
pas ge-ente planten dient uiterst zorgvuldig te gebeuren en er mag niet
tegen
de griffel gestoten worden om los zitten of verschuiven te voorkomen.
Ook
tijdens de periode van aangroei op het veld is voorzichtigheid geboden.
Is de
aangroei eenmaal begonnen en vindt er verstoring plaats (verschuiven
van de
griffel bijv.) dan is de ingreep voor niets geweest en is de nieuwe
plant
verloren want zal dan zeker afsterven.
In de meeste
gevallen wort er ge-ent net boven de wortelhals. Uitzondering is het
enten van
een kroon voor bomen; laag- half- of hoogstammen. Bij deze gelden
andere
enthoogtes.
Spleetenten.
Hierbij wordt de
onderstam net boven de wortelhals afgesneden en wordt vanbovenaf vanaf
twee
kanten ingesneden zodat er een wigvormige opening ontstaat. De griffel
(of
enthout) wordt vervolgens van twee kanten af schuin aangepunt, zodanig
dat deze
punt precies in de wig van de onderstam past. Beiden stukken worden nu
in elkaar
geschoven en dmv. draad, elastiek of plakband met elkaar vastgezet.
Deze vorm van enten
wordt veel gebruikt wanneer zowel de onderstam als de ent een redelijk
dikke
doorsnede hebben. Bij een dunne onderstam of ent of wanneer er een
ongelijke
dikte is is deze vorm van enten minder geschikt omdat de ent en de
onderstam
niet goed vast gezet kunnen worden aan elkaar.
Een heel oude
techniek van deze vorm van enten is door niet een wigvormig stuk uit te
snijden
maar echt alleen een stam te splijten met een stakke snee en daarin de
ent vast
te klemmen. Deze manier werd veel toegepast vroeger bij bijvoorbeeld
het enten
van vruchrtbomen waarvan de stammen al ter plaatse op het veld stonden.
Deze
entvorm werd in het groeiseizoen uitgevoerd en de ent werd met raffia
vastgezet. Zo is het, dmv. deze methode, een tijd mode geweest om
vruchtbomen
te hebben met meerdere rassen op een stam.
Deze vorm wordt
echter ook wel toegepast wanneer er dikteverschil is tussen de
onderstam en de
ent. Wanneer de ent te dik is tov. de onderstam wordt de onderstam
gespleten en
de ent in de spleet gedrukt. Is de onderstam dikker dan geschiedt het
andersom.
Daarom dat dit de gebruikte vorm is bij het wortelenten (enten op een
wortel)
zoals dat wel gebeurt bij clematis en naar ik meen te hebben gehoord
bij
augurken en komkommers. Wel dient er op toegezien te worden dat van
beiden het
merg op elkaar aansluit om een goede vergroeiing tot stand te brengen.
Copuleren.
Een veelgebruikte
manier van enten is door copuleren. Hier worden ent en onderstam schuin
aangesneden onder eenzelfde hoek. Beide delen worden met de gewonde
zijde tegen
elkaar gedrukt en vastgezet (raffia of elastiek) en tijdens
winterenting met
was afgedekt om verdroging te voorkomen.
Wordt er een lange,
zeer schuine snede (onder een hoek van bijv. 30 gr. gemaakt) dan zal
het
aanzetten gemakkelijker zijn maar heeft de gemaakte wond dus een veel
groter
oppervlakte; wordt de snede met een grotere hoek (bijv. 45 gr) gemaakt
dan is
de wond kleiner maar is de aanhechting met entgaren/elastiek minder
vast.
Bij deze vorm is het
zeer wenselijk dat er een gelijkheid van dikte is van de onderstam en
de ent!
Het aanbinden van de
ent op de onderstam is bij deze vorm van enten van zeer groot belang,
omdat bij
het niet juist uitvoeren er verschuiving kan optreden waardoor geen
goede of
geheel geen aangroei kan plaatsvinden.
Enten
onder een
lip.
Bij het enten onder
een lip moeten de onderstam en de ent ongeveer een gelijke dikte hebben.
Men snijdt eerst de
onderstam, vlak boven de wortelhals, dun aan, zodanig dat de
aangesneden bast
wel aan de onderstam blijft zitten. Vervolgens wordt de ent aan twee
kanten
RECHT en STRAK dun over gelijke lengte als de snede van de onderstam
van de
bast ontdaan, waarna de onderkant schuin wordt afgesneden. De ent wordt
nu met
een van de twee afgeschilde kanten tegen de stam van de onderstam
gedrukt; de
lip van de onderstam over de andere wond van de ent gedrukt en
vervolgens wordt
alles met entgaren of elastiek vastgezet.
Deze vorm van enten
kan met of zonder opgewas uitgevoerd worden. Opgewas wil zeggen dat er
nog
takjes/blad boven de ent zitten. Is dat het geval dan zit de onderstam
meestal
in een pot. Vaak echter wordt de onderstam net boven de wortelhals
afgeknipt.
Het kan voorkomen
dat, vooral bij schaarste van of onderstammen dan wel enthout (griffels
in
boomkwekerijtaal) er een te groot dikteverschil tussen beiden is. In
dergelijke
gevallen wordt de handeling ook wel andersom uitgevoerd; dus wordt de
ent
voorzien van een lip welke over de onderstam komt te vallen, welke dan
aan twee
kanten aangesneden dient te worden
Een variant op het
enten onder een lip is het 'enten ope een voetje' in dat geval wordt de
ent
slechts aan een kant aangesneden en wordt bij de onderstam de lip voor
het
grootste deel weggesneden. Slechts de dikte van de ent laat men van de
lip
zitten en dient om de ent te ondersteunen.
Zoogenten.
Bij zoogenten worden
er rondom een moederplant (moer) een aantal onderstammen geplaatst.
Deze
onderstammen. Om te enten moeten de ze stammen worden aangesneden. Dat
gebeurt
dan meestal dmv. spleetenten of plakken. Afhankelijk van de soort wordt
met of
zonder opgewas ge-ent. Na het aansnijden van de onderstam wordt een
twijg van
de moederplant afgebogen, verwond en tegen
de onderstam gedrukt dan wel in de spleet bevestigd en
vervolgens
vastgezet met raffia, entgaren of elastiek.
Deze vorm van enten
werd in het verleden veel toegepast bij bijv. hoogstamvruchtbomen;
prieelberken
(Betula pendula 'Youngii') en sierkerssoorten (Prunus) op half- of
hoogstam. De
ge-ente twijg blijft echter verbonden aan de moederplant gedurende de
aangroeiperiode. Zijn de ent en de onderstam eenmaal goed met elkaar
vergroeid
dan wordt pas de verbinding met de moederplant verbroken. Bij mijn
weten wordt
deze vorm van vermeerderen in Nederland niet meer bedrijfsmatig
toegepast omdat
ze vrij arbeidsintensief is.
| HOME |
VORIGE PAGINA |
TEKEN GASTENBOEK |