Het vermeerderen van houtige gewassen.

 

Het vermeerderen van houtige gewassen kan op vele manieren gebeuren.

1.   Zaaien.

2.   Stekken zomerstek, winterstek, meristeemkultuur, afleggen, wortelstek.

3.   Oculeren of oogenten, enten met griffel, zoogenten

4.   Klonen

 

1.  Zaaien

 

Het zaaien van houtige gewassen (heesters en bomen) gebeurt voor de produktie zeer weinig tot vrijwel nooit, muv. soorten voor bosplantsoen zoals eik, beuk, els, meidoorn, lijsterbes enz. en onderstammen. Ook wilde (botanische) rozen worden veel uit zaad opgekweekt, alsmede de rozen die dienen als onderstam om op te oculeren.

Voor het veredelen van veel soorten heesters en bomen zijn 'onderstammen' nodig (een onderstam is een wilde varieteit van de soort die men hebben wil en wordt gebruikt om op te enten of te oculeren); deze onderstammen worden in veel gevallen ook verkregen door zaaien.

Zaaien van houtige gewassen wordt ook gedaan om te komen tot nieuwe soorten en varieteiten. Bewust kruisen van varieteiten om zaad te winnen om zo een nieuwe varieteit te krijgen is een echt liefhebbers- en geduldwerk en wordt veel gedaan bij rozen en bijv. rhododendrons. Ook bij fruit wordt vaak op deze manier naar nieuwe rassen gezocht.

Tot enkele tientalle jaren gelden werden bijv. ook alle notenbomen (Juglans) uit zaad opgekweekt. Tegenwoordig zijn er meerdere varieteiten walnoten welke ge-ent worden op door zaaien verkregen onderstammen.

Er zijn op het zaaien van houtige gewassen en onderstammen gespecialiseerde bedrijven. Het zaaien van onderstammen vereist veel vakkennis en kundigheid. Elk zaad heeft zo eigen behandelingsmethode. Een van die methodes is het stratificeren van het zaad. Deze handeling bestaat eenvoudig gezegd in het uitzaaien in vochtig zand gedurende een bepaalde periode en bij een bepaalde temperatuur en gebeurt om de kiemkracht te bevorderen en de opkomst te vergroten. Zaden van andere planten hebben echter een periode van lage temperaturen nodig om tot kieming opgewekt te worden, dit noemen we zgn. 'koudekiemers'. Deze soorten worden in een diepvries bij voor elke soort eigen temperatuur en gedurende per soort afhankelijke periode opgeslagen.

Ook de zaaidiepte en de grondsoort kunnen van groot belang zijn bij de opkweek van houtige gewassen uit zaad. De kweek van houtige gewassen en onderstammen geschiedt veel in Brabant, Gelderland, Oost-Groningen en in de Flevopolders.

 

 

2. Stekken.

 

Houtige gewassen kunnen ook vermeerderd worden dmv. stekken. Misschien wel de meest gebruikte manier om te vermeerderen.

Deze vorm van vermeerderen (stekken) noemt men: 'vegetatief vermeerderen', dit in tegenstelling tot zaaien wat een 'generatieve' vorm van vermeerderen is.

We kunnen het stekken in verschillende manieren onderverdelen:

1.Naar tijd:     a. zomerstek;

                        b. winterstek.

2.   Dan is er een vorm van stekken welke niet zo heel veel meer gebruikt wordt, nl. 'afleggen'.

3.   In een labaratorium wordt er gestekt dmv. meristeemkultuur.

4.   wortelstek.

 

1a. zomerstek.

Zomerstek wordt op vele manieren gemaakt tijdens de groeiperiode van de houtige gewassen. Er zijn vele vele manieren om zomerstek te maken, verwerken en op te kweken. ook hier weer is elke behandeling en kweekwijze afhankelijk van de soort. Zo worden sommige soorten coniferen (Taxus bijv.) gestekt onder waternevel om een goed en hoog resultaat te verkrijgen. (het gaat te ver om uit te leggen wat 'stekken onder waternevel' precies allemaal inhoud), weer andere soorten kunnen in een koude bak/kas onder glas gestekt worden, terwijl ander een warme bak/kas nodig hebben of er dubbel glas gebruikt moet worden. andere soorten willen juist een (tijdelijke) afdekking met plastic om goed te bewortelen, terwijl weer andere soorten direkt zullen schimmelen wanneer ze afgedekt worden met plastic.

Vaak worden, en zeker bij planten met grotere bladeren de bladeren gedeeltelijk weggesneden, maar er zijn ook weer soorten waar dit absoluut niet mag. Elke soort heeft zijn eigen periode waarin het stekken het meeste resultaat zal opleveren. Al deze bijzonderheden van verwerken kunnen dus per soort verschillen, maar om het nog ingewikkelder te maken kunnen de varieteiten van een soort daar ook weer in verschillen. Het kan zelfs gebeuren dat van een en dezelfde soort de ene varieteit in juni gestekt moet worden, terwijl de andere varieteit beter in maart gestekt moet worden, maar weer een andere varieteit van winterstek gemaakt kan worden.

Ook het behandelen van de stek en de manier van wegsteken kan heel belangrijk zijn. Veel stekken moet (licht) verwond worden; andere soorten mogen niet verwond worden. Sommige soorten moeten rechtop, terwijl andere soorten juist weer schuin gestoken moeten worden. Er zijn soorten planten waarvan de wond van de stek eerst moet drogen, maar bij anderen mag dat absoluut niet en moeten ze direkt weggestoken worden.

Ook de lengte van de stek kan van groot belang zijn. Zo spreek men van lidstek of tweelidstek; lidstek wil zeggen dat een stekje een knop (soms twee) bevat (het stekje bestaat uit een lid), tweelidstek (of meerlidstek) bestaat uit twee of meer lidstukken).

Maar we zijn er nog niet! Veel stek moet behandeld worden met groeistof om tot beworteling te kunnen komen. Groeistoffen zijn er in vele soorten en elke soort behoeft een eigen groeistof. sommige stekken dienen echter in groeistofpoeder gedoopt te worden, terwijl anderen in opgeloste groeistoffen gedompeld moeten worden. Weer anderen moeten gedurende een vastgestelde periode van enkele minuten, uren of zelfs dagen een groeistofbehandeling ondergaan.

Tot slot in deze vogelvlucht door de stekwetenschap nog iets over het stekmedium. Het medium waarin de stek wordt weggestoken kan ook van groot belang zijn. Elke soort vraagt zijn eigen zuurtegraad en samenstelling. Veel wordt gebruik gemaakt van een mengsel van turfmolm en zand in per soort wisselende verhoudingen. Ook zijn er wel andere materialen die als stekmedium gebruikt worden, ik zal daar hier echter niet verder op ingaan, behalve later bij het meristeemkultuur.

Om nu precies te weten welke heester welke behandeling, groeistof, stektijd enz. nodig heeft wordt er door het Laboratorium voor Boomkwekerijgewassen steeds onderzoek gedaan. Die onderzoeken worden regelmatig gepubliceerd in een 'stekjaarboek' van waaruit een kweker weer zijn informatie kan halen.  

Er zijn bedrijven welke zich geheel en al hebben toegelegd op het vermeerderen van houtige gewassen door stek. Vaak zijn ze dan ook nog eens gespecialiseerd op een of enkele soorten of zelfs varieteiten. De gewortelde stekken worden dan verkocht aan boomkwekerijen waar de stekken worden opgepot of uitgeplant om tot leverbare planten te worden opgekweekt.

 

 

 

1b. winterstek.

Één van de meest gemakkelijke manieren voor het vermeerderen van houtige gewassen is waarschijnlijk wel door ‘winterstek’Winterstek wordt meestal gemaakt in de maanden dat een heester of boom in ‘rust’ is, hetgeen wil zeggen dat de sapstroom vrijwel tot stilstand is gekomen. Dit is bij ons in de gematigde zone van het Europese vasteland het geval in de wintermaanden. Vanaf november kunnen de stekken geknipt worden voor de meeste gewassen; een enkele uitgezonderd, maar meestal wordt winterstek geknipt in februari/maart, maar wel wanneer er niet te veel vorst is.  Achter de soort zal een eventuele uitzondering straks in de lijst van soorten vermeld staan.
In enkele gevallen worden stekken met hiel gemaakt, dat wil zeggen dat de stek niet geknipt wordt maar vanaf de moederplant ‘getrokken’ wordt zodat er een stukje aan de stek blijft zitten (hieltje). Dit is het geval bij Cotoneastersoorten. (dwergmispels)
Het is verstandig om voor winterstek niet te jonge stukken te nemen (zacht stek) maar juist de verhoutte twijgen.
Meestal maakt men stekken van ongeveer 20 cm. lengte. De stekken worden aan de onderzijde schuin afgesneden; ongeveer onder een hoek van 45°.  Daarna wordt er een lichte verwonding van de bast aan de onderzijde gemaakt over de lengte van ongeveer 2 cm.  Let wel op dat na het knippen van de twijgen voor het maken van stek en na vooral het maken van het stek dat onder- en bovenkant niet verwisseld worden!
Nadat de stekken zijn gemaakt en aangesneden laten we ze een halve dag ‘drogen’
Nu de stekken gemaakt zijn worden ze opgeslagen tot het moment dat ze in het voorjaar kunnen worden weggestoken. Dit opslaan (opkuilen) van stek gebeurt op een koele zeker niet te vochtige plaats. Een boomkweker doet dit meestal in een onverwarmde kas of bak. Mocht er kans bestaan op zware vorst dan zal de stek beschermd moeten worden aangezien ze geenszins mogen bevriezen. Niet omdat de stekken de koude niet zouden verdragen maar omdat ze dan te sterk zouden kunnen indrogen.
Ik kuil de stek meestal op in een dichte plastic kist zonder deksel gevuld met vochtig (pas op niet te nat maken) zand (pas op echt rivierzand of geel (woud)zand ivm. zout). De stekken worden netjes in rijtjes dicht tegen elkaar in een geul gezet of in bosjes bij elkaar gebonden.  Later zullen de stekken tot de helft in de grond gestoken worden en ook nu worden de stekken tot de helft van de lengte gekuild; zeker niet dieper opkuilen.
Het opkuilen wordt in de professionele kwekerij steeds minder gedaan, daar worden de stekken tegenwoordig in koelcellen bewaard bij een temperatuur van rond de 0° C. netjes verpakt in plastic folie.

In maart/april kunnen we de stekken uit de kuil halen en op een bed of hoekje van de tuin gaan ‘wegsteken’. Wanneer we de stekken uit de kuil halen zien we aan de basis van de stek vaak verdikkingen en vergroeiingen: ‘callus’ genaamd. Hieruit zullen de wortels zich gaan ontwikkelen en daarom moeten we daar heel voorzichtig mee omgaan. Gezorgd moet worden voor een goed losgewerkte grond welke echter voor het steken weer enigszins wordt aangedrukt om te voorkomen dat de stekken te los komen te staan en gaan staan bewegen. Hierdoor kunnen de jonge worteltjes beschadigd raken en kan de stek alsnog afsterven na de beworteling. De stekken worden ongeveer voor de helft in de grond gestoken (op echte veengrond slechts voor 1/3, maar op kleigrond voor 2/3). De onderlinge afstand kan 10 x 10 cm zijn. Gewoonlijk (heel enkele soorten worden schuin gestoken) worden de stekken recht in de grond gestoken. Het is verstandig om nadat de stek (of een regel) gestoken is, en men ziet dat de stekken toch niet stevig staan, de grond rond de stek(ken) weer licht aan te drukken, zodat de stek goed stevig staat.
Ook is voorzichtigheid geboden gedurende de eerste tijd met stoten tegen de stekken (pas dus goed op met schoffelen gedurende de eerste maanden!!!) en te grote nieuwsgierigheid om te kijken of de stekken al beworteld zijn zal vaak afgestraft worden met afsterven van de jonge plant.
Bij erg drogend weer zal het noodzakelijk zijn om de stekken licht te besproeien. Te veel vocht is echter uit den boze en zal de stekken doen rotten. Daarom moet ook gekozen worden voor een niet te vochtig en niet te winderige enigszins tegen zonlicht beschermde plaats.  Als de planten na enige maanden een gedegen wortgestel hebben en met een aantal takken zijn doorgegroeid is het zaak om te gaan snoeien. Het is vaak eind juni wanneer duidelijk aan de sterke groei van jonge takken te zien is dat de stek goed is aangeslagen. We knippen dan de gegroeide jonge takjes terug tot 2 of 3 knoppen vanaf de stek. Hierdoor zullen deze knoppen gaan uitlopen en zullen er meerdere takken gevormd worden.
In de professionele boomkwekerij zullen de nieuwgevormde heesters in de herfst als de planten in de winterrust zijn gekomen worden opgerooid, om vervolgens te worden opgekuild. In het voorjaar daarna worden ze wederom flink teruggesnoeid en opnieuw worden geplant op een grotere afstand, afhankelijk van de soort maar gemiddeld 30 cm, van elkaar zodat er stevige planten kunnen gevormd worden om verhandeld te worden.  In een aantal gevallen (bijv. bij Ligustrum) worden de stekken al direct het eerste najaar verkocht.
Het kan een zeer leuke bezigheid zijn om zo eigen gekweekte planten in je tuin te krijgen of weg te geven.  Natuurlijk hebben we met ‘levend’ materiaal te maken en het succes kan per keer enorm verschillen. Daarbij zijn sommige soorten makkelijk en andere soorten of zelfs variëteiten weer minder makkelijk op deze wijze op te kweken.
Een kleine waarschuwing is misschien nog wel op zijn plaats. De stek kan het best gestoken worden op een voedingrijke grond, maar vers opgebrachte mest kan de stek doen verbranden!!! Dus beter niet wegsteken in grond welke van verse mest is voorzien.

 

Soorten geschikt voor het maken winterstek zonder al te veel problemen:

 

Buddleja  davidii (vlinderstruik)

al in november knippen en opkuilen om goed callus te
 laten vormen

 

Callicarpa bodinierii

Stek knippen voor de winter

Caragana arborescens (erwtenstruik)

 

Colutea arborescens (blazenstruik)

 

Cornus alba ‘Sibirica’ (rode kornoelje in alle variëteiten)

 

Cornus stolonifera ‘Flaviramea’ (gele kornoelje)

 

Deutzia in soorten

Prof. meestal zomerstek

Eleagnus multiflora (wilde olijfwilg)

 

Forsythia in soorten (chinees klokje)

Door knop snijden onderaan

Laburnum in soorten (gouden regen)

In maart knippen en direct steken

Ligustrum in soorten (liguster)

 

Metasequoia glyptostroboïdes

Stekken als de knoppen open gaan

Parthenocissus in soorten (Wilde wingerd)

Maart knippen en direct steken

Philadelphus in soorten (jasmijn)

 

Polygonum aubertii (bruidsluier)

 

Populus in soorten (populier)

 

Potentilla div. soorten vnl de hogere soorten als fruticosa-variëteiten

 

Ribes alpinum (alpenbes)

 

Ribes sanguineum (rode ribes)

 

Ribes rubrum(aalbes in soorten en variëteiten)

 

Ribes nigrum (zwarte bes)

 

Ribes uva-crispa (kruisbes)

Naalden wegknippen.

Salix  (wilg) in soorten en variëteiten

 

Sambucus (vlier) in alle variëteiten

 

Spiraea arguta (spierstruik)

 

Spiraea bumalda ‘Anthony Waterer’ (--)

 

Spiraea vanhouttei (--)

 

Symphoricarpus in soorten en var. (sneeuwbes)

Symph. Chen. ‘Hancock’ alleen zomerstek

Weigelia in soorten en var.

 

 

Ook bij de kweek van onderstammen wordt vaak gebruik gemaakt van dit systeem. Bijv. de kweek van vruchtboomonderstammen geschiedt heel veel dmv. winterstek.
Sommige soorten houtige gewassen worden al ge-ent op winterstek als deze nog ongeworteld is en dan wordt de onderstam, geent en al, in het voorjaar in de grond gestoken. Echter deze techniek kan alleen in zeer uitzonderlijk situaties bij een heel beperkt aantal houtige gewassen worden toegepast.

 

2.Afleggen.

Dat heeft niets met verkeerde verkoop te maken.

Afleggen is een vorm van vermeerderen welke nog zeer zelden wpordt toegepast in de professionele boomkwekerij. Bij de hobbykwekers echter nog veelvuldig in gebruik. Het is een zeer effektieve en gemakkelijke manier van kweken.

Men neemt een tak en buigt die vervolgens naar beneden tot aan de grond. Op de plek waar de tak de grond raakt schrap je een klein beetje van de bast af en vervolgens leg je de tak op de grond en zet he vast met twee schuin in de grond aan weerszijden van de tak gestoken takjes (een stevig u-vormig gebogen stukje ijzerdraad kan ook goede diensten bewijzen). Daarna dek je de plek toe met een beetje grond. Wanneer de tak voldoende lengte heeft maak je een tweede schrapje en zo mogelijk een derde, 4de enz.

Laat de tak wel gewoon aan de plant vastzitten; dus NIET afknippen!!

Op de plek(ken) waar het schrapje gemaakt is zullen wortels gaan groeien en zal dus een nieuw plantje gaan ontstaan. Is eenmaal duidelijk dat er een nieuw goed geworteld plantje is ontstaan dan kun je de tak losknippen van de moederplant (moer of moerplant).

Neem bijv. eens een rode kornoelje (Cornus alba 'Sibirica') die je op deze wijze kunt vermeerderen en stel dat er 10 takken van 2 meter opzitten die je gebruiken kunt. Je legt ze plat en je kunt elke tak om de 15 cm een schrapje geven....... Dan heb je al bijna een produktieve boomkwekerij!!!

Vele heesters zijn op deze wijze te vermeerderen.

 

3.   Meristeemkultuur.

Meristeemkultuur ook wel weefselkweek genoemd, is een vorm van stekken dat in een laboratorium gebeurt. Men neemt de groeipunten van een de struik en snijdt deze tot heel kleine deeltjes, welke in een geschikt medium worden geplaatst. Uit een klein stukje van een groeipuntje kunnen in principe oneindig veel vrijwel identieke planten gekweekt worden. Door het uiterste groeipuntje te nemen is het overbrengen van ziektes in de nakomelingen vrijwel nihil, aangezien in dit deel geen ziektes aanwezig zijn. twwe grote voordelen dus:

a. ziektevrije (virusvrije) planten

b. identieke planten, gelijk aan de moederplant.

 

Nadeel:

Het is een zeer kostbare manier van vermeerderen.

 

Uit het, in groeimedium geplaatste deeltje van de groeipunt, komen kiemen te voorschijn die uitgroeien tot kleine plantjes. Deze kunnen weggehaald worden en het beginmateriaal kan weer opnieuw groeischeutjes gaan maken. Allemaal identieke planten.

Planten op deze wijze gekweekt worden nog eens extra gekeurd en is de kloon goedgekeurd dan kan de opkweek beginnen. Dergelijke planten krijgen het certificaat 'virusvrij produkt', wat voor de export van zeer groot belang kan zijn en de waarde van dergelijke planten aanzienlijk doet stijgen op de markt.

Deze vorm van stekken wordt veel toegepast bij oa. snijbloemen, kamerplanten en bij boomkwekerijgewassen als Rhododendron.

 

4.   Wortelstek.

Een andere gebruikte manier van vermeerderen bij bepaalde gewassen welke op andere wijze moeilijk (ssortecht) te vermeerderen zijn, is dmv. wortelstek. Op de wortels van de plant moeten dan wel (adventief)knoppen aanwezig zijn. De planten waarvan men stek wil nemen moeten een flinke groeiperiode achter de rug hebben zodat er een behoorlijk woortelstel aanwezig is. Hiervan worden de wortels genomen die dan in een kistje worden weggestoken en afgedekt met een laagje los materiaal.

Deze vorm van stekken wordt wel toegepast bij:

 Actinidia deliciosa, Aralia elata, Aristolochia, Asimina triloba (pawpaw-fruitboom), Buddleja, Campsis radicans, Chaenomelis, Clerodendron, Cytisus, Elaeagnus (stekken in voorjaar), Ficus carica, Hibiscus, Hippophae rhamnoïdes , Phlox paniculata, Populus alba, Prunus avium , Rhus (stekken in voorjaar) en Robinia.

Vervolgens zijn er nog een aantal technieken van stek maken en/of verwerken. Zo zijn zijn bepaalde soorten die beter wortelen wanneer stek wordt gemaakt met een 'hieltje' Dwz. de stekjes worden zo van de moederplant getrokken dat er een klein stukje bast meekomt; met dit stukje bast aan het stekje wordt het in de grond gestoken.

Echter de andere vormen en technieken zijn in de meeste gevallen allen bestemd voor specifieke soorten.

 

Marcotteren.

Mrcotteren is een soort van stekken dat in de boomkwekerij vrijwel niet wordt toegepast. Het is meer een vorm van vermeerderen voor (houtige) kamerplanten.

Op een tak wordt een beschadiging gemaakt welke wordt omwonden met een vochthoudend medium (vroeger werd sphagnum = soort mos gebruikt) gewonden. Dit medium wordt in plastic verpakt en aan de boven en onderkant dichtgebonden. Op de wond zal nu callusvorming (callus = wondweefsel) gaan plaatsvinden waaruit wortels zullen gaan groeien.

Vroeger werd deze vorm ook wel bij de vermeerdering van vruchtbomen toegepast.

 

Enten.

Vermeerderen door 'enten' kent meerdere technieken:

a. Oculeren of oogenten

b. Spleetenten, copuleren en enten onder een lip.

c.    zoogenten

 

a. Oculeren of oogenten.

Oculeren is afgeleid van het woord oculus, dat 'oog' betekent.

Voor het vermeerderen op deze wijze wordt een oculus, oog (=knop), van een soort genomen dat men vermeerderen wil. Dit oog wordt met en scherp mesje met een stukje bast van de moerplant weggesneden. Nu is het de bedoeling dat dit oog (knop) onder de bast van de onderstam (wilde varieteit) wordt geimplanteerd, ge-ent.

Hiervoor wordt in de bast van de onderstam een T-vormige snee gemaakt; de bast wordt voorzichtig uit elkaar gebogen en het oog wordt onde de opengevouwen bast geschoven. De bast wordt weer dichtgeslagen en omwonden met raffia of tegenwoordig met elastiek. Het is nu de bedoeling dat de ent (het oog) vocht en voeding via de sapstroom van de onderstam krijgt en zo zal gaan vergroeien. Daarna zal het geplaatste oog gaan uitlopen en ontstaat er een tak van de gewenste plant.

Deze vorm van vermeerderen vindt veel plaats bij rozen. Vroeger gebeurde dat veel 'in het veld' Dwz. dus terwijl de onderstammen met de wortels in de grond stonden. Het was vreselijk zwaar werken op die manier aangezien men de gehele dag voorover gebukt moest staan en een zeer secuur werkje moest uitvoeren. Gelukkig gebeurt het werk tegenwoordig door de onderstammen op te potten en kan men rustig zittend aan een werktafel de oculaties aanbrengen.

Vaak worden op een plant meerdere oculaties aangebracht (2 tot 3) dit om zekerheid te hebben dat er een gecultiveerde plant ontstaat en om zo een mooier gevormde plant te krijgen.

Ook vruchtbomen worden wel gekweekt dmv. oculatie.

Bij oculeren blijven eerst het loof en de twijgjes boven de oculatie zitten om zo een goede sapstroom naar het oculatie-oog te garanderen. Na de duidelijke aangrooei, door het uitlopen van de oculatie als teken van vergroeiing wordt de begroeiing boven de oculatie weggenomen. Vaak is de wilde onderstam een meer krachtige groeier dan de ge-ente varieteit en zal altijd weer proberen terug te komen met scheuten; denk daarbij aan de wilde scheuten bij de rozen.

 

 

 

b. Spleetenten, copuleren en enten onder een lip.

 

toelichting vooraf.

het mes.

Om te enten wordt er gebruik gemaakt van een entmes. Er zijn voor linkshandige mensen speciale messen in de handel. Dit is van groot belang want voor het juist aansnijden van de griffel en de stam moet het mes behalve scherp en schoon ook een zuiver vlakke kant hebben om zo een vlakke snede te maken waar griffel en stam elkaar raken. Dit moet zeer nauwkeurig aansluiten en is van groot belang voor een goede aangroei.

Ook het onderhoud van het mes is van groot belang. Tijdens het enten moet regelmatig, enkele keren per dag, het mes geslepen, gewet, worden om een strakke scherpe aansnijding te houden. Een entmes heeft altijd een zuiver vlakke kant en een eningszins bolle kant. De vlakke kant mag NOOIT geslepen worden, hooguit wat schoongemaakt op de wetsteen. Op de bolle kant zit een snijvlak onder een hoek van ongeveer 30 graden. 

Ook moet het mes regelmatig ontsmet worden om geen mogelijke ziektekiemen te verspreiden. Bij het enten van bepaalde soorten met veel harsachtige stoffen wordt wel met twee messen gewerkt; eentje om de stam aan te snijden en eentje om de griffel aan te snijden. Door het aankleven van de hars zal hier nog vaket het mes gereinigd moeten worden.

 

de onderstam.

Het gebruik van de juiste onderstam is ook van het grootste belang. Een niet juiste onderstam kan onvolledige verenigbaarheid tot gevolg hebben. Dit is een uitdrukking voor allerlei problemen die zelfs nog jaren later naar voren kunnen komen. Geen of slechte aangroei en slecht transport van vocht en voedingsstoffen leidt tot vergroeiingen of afbreken op de entplaats. Zeer bekend zijn de grote verschillen in dikte die soms optreden tussen de kroon en de onderstam bij sierkersen en vruchtbomen.

 

bevestiging.

Van belang is ook het entgaren of elastiek dat wordt gebruikt. Dit moet gemaakt zijn van een vrij degelijk materiaal maar moet ook weer zelf afbreekbaar zijn, zodat nadat de ent en de stam vergroeid zijn deze, tijdelijke, verbinding los zal springen bij de diktegroei en niet zal gaan insnoeren. Ook het bevestigen van het entgaren/elastiek is van groot belang; het mag niet te strak zodat er mogelijk een belemmering van de sapstroom kan ontstaan, maar het mag ook weer niet te los omdat dan kans bestaat op verschuiven van de ent en onderstam bestaat.

 

de tijd.

1. Het vermeerderen door enting vindt vaak plaats gedurende de wintermaanden. Om de ent en de gemaakte wond niet te laten verdrogen wordt er, nadat onderstam en ent met elkaar verbonden zijn door een draad, elastiek of plakbandje, gebruik gemaakt van entwas. Vroeger gebruikte men hiervoor bijenwas, tegenwoordig is dit een synthetische was die vaak ook een (groei)stof bevat welke de aangroei bevorderd. Deze entwas dient zorgvuldig de gehele wond te bedekken en soms ook zelfs de griffel, zodat uitdrogen voorkomen wordt. Daarna worden de onderstammen opgekuild om in het voorjaar uitgeplant te worden. Tegenwoordig worden ze ook vaak opgepot en als containerkultuur verder doorgekweekt.

2.   Wanneer gedurende het groeiseizoen wordt geent wordt er vrijwel nooit entwas gebruikt. De spastroom is dan in de onderstam aanwezig en zal dus ook de geplaatste griffel van vocht en voeding voorzien zodat verdrogen uitgesloten is.

 

de nazorg.

Het verwerken van de pas ge-ente planten dient uiterst zorgvuldig te gebeuren en er mag niet tegen de griffel gestoten worden om los zitten of verschuiven te voorkomen. Ook tijdens de periode van aangroei op het veld is voorzichtigheid geboden. Is de aangroei eenmaal begonnen en vindt er verstoring plaats (verschuiven van de griffel bijv.) dan is de ingreep voor niets geweest en is de nieuwe plant verloren want zal dan zeker afsterven.

In de meeste gevallen wort er ge-ent net boven de wortelhals. Uitzondering is het enten van een kroon voor bomen; laag- half- of hoogstammen. Bij deze gelden andere enthoogtes.

 

 

Spleetenten.

Hierbij wordt de onderstam net boven de wortelhals afgesneden en wordt vanbovenaf vanaf twee kanten ingesneden zodat er een wigvormige opening ontstaat. De griffel (of enthout) wordt vervolgens van twee kanten af schuin aangepunt, zodanig dat deze punt precies in de wig van de onderstam past. Beiden stukken worden nu in elkaar geschoven en dmv. draad, elastiek of plakband met elkaar vastgezet.
Deze vorm van enten wordt veel gebruikt wanneer zowel de onderstam als de ent een redelijk dikke doorsnede hebben. Bij een dunne onderstam of ent of wanneer er een ongelijke dikte is is deze vorm van enten minder geschikt omdat de ent en de onderstam niet goed vast gezet kunnen worden aan elkaar.
Een heel oude techniek van deze vorm van enten is door niet een wigvormig stuk uit te snijden maar echt alleen een stam te splijten met een stakke snee en daarin de ent vast te klemmen. Deze manier werd veel toegepast vroeger bij bijvoorbeeld het enten van vruchrtbomen waarvan de stammen al ter plaatse op het veld stonden. Deze entvorm werd in het groeiseizoen uitgevoerd en de ent werd met raffia vastgezet. Zo is het, dmv. deze methode, een tijd mode geweest om vruchtbomen te hebben met meerdere rassen op een stam.
Deze vorm wordt echter ook wel toegepast wanneer er dikteverschil is tussen de onderstam en de ent. Wanneer de ent te dik is tov. de onderstam wordt de onderstam gespleten en de ent in de spleet gedrukt. Is de onderstam dikker dan geschiedt het andersom. Daarom dat dit de gebruikte vorm is bij het wortelenten (enten op een wortel) zoals dat wel gebeurt bij clematis en naar ik meen te hebben gehoord bij augurken en komkommers. Wel dient er op toegezien te worden dat van beiden het merg op elkaar aansluit om een goede vergroeiing tot stand te brengen.

 

Copuleren.

Een veelgebruikte manier van enten is door copuleren. Hier worden ent en onderstam schuin aangesneden onder eenzelfde hoek. Beide delen worden met de gewonde zijde tegen elkaar gedrukt en vastgezet (raffia of elastiek) en tijdens winterenting met was afgedekt om verdroging te voorkomen.
Wordt er een lange, zeer schuine snede (onder een hoek van bijv. 30 gr. gemaakt) dan zal het aanzetten gemakkelijker zijn maar heeft de gemaakte wond dus een veel groter oppervlakte; wordt de snede met een grotere hoek (bijv. 45 gr) gemaakt dan is de wond kleiner maar is de aanhechting met entgaren/elastiek minder vast.
Bij deze vorm is het zeer wenselijk dat er een gelijkheid van dikte is van de onderstam en de ent!
Het aanbinden van de ent op de onderstam is bij deze vorm van enten van zeer groot belang, omdat bij het niet juist uitvoeren er verschuiving kan optreden waardoor geen goede of geheel geen aangroei kan plaatsvinden.

 

Enten onder een lip.

Bij het enten onder een lip moeten de onderstam en de ent ongeveer een gelijke dikte hebben.

Men snijdt eerst de onderstam, vlak boven de wortelhals, dun aan, zodanig dat de aangesneden bast wel aan de onderstam blijft zitten. Vervolgens wordt de ent aan twee kanten RECHT en STRAK dun over gelijke lengte als de snede van de onderstam van de bast ontdaan, waarna de onderkant schuin wordt afgesneden. De ent wordt nu met een van de twee afgeschilde kanten tegen de stam van de onderstam gedrukt; de lip van de onderstam over de andere wond van de ent gedrukt en vervolgens wordt alles met entgaren of elastiek vastgezet.

Deze vorm van enten kan met of zonder opgewas uitgevoerd worden. Opgewas wil zeggen dat er nog takjes/blad boven de ent zitten. Is dat het geval dan zit de onderstam meestal in een pot. Vaak echter wordt de onderstam net boven de wortelhals afgeknipt.

Het kan voorkomen dat, vooral bij schaarste van of onderstammen dan wel enthout (griffels in boomkwekerijtaal) er een te groot dikteverschil tussen beiden is. In dergelijke gevallen wordt de handeling ook wel andersom uitgevoerd; dus wordt de ent voorzien van een lip welke over de onderstam komt te vallen, welke dan aan twee kanten aangesneden dient te worden

Een variant op het enten onder een lip is het 'enten ope een voetje' in dat geval wordt de ent slechts aan een kant aangesneden en wordt bij de onderstam de lip voor het grootste deel weggesneden. Slechts de dikte van de ent laat men van de lip zitten en dient om de ent te ondersteunen.

 

 

Zoogenten. 

Bij zoogenten worden er rondom een moederplant (moer) een aantal onderstammen geplaatst. Deze onderstammen. Om te enten moeten de ze stammen worden aangesneden. Dat gebeurt dan meestal dmv. spleetenten of plakken. Afhankelijk van de soort wordt met of zonder opgewas ge-ent. Na het aansnijden van de onderstam wordt een twijg van de moederplant afgebogen, verwond en tegen  de onderstam gedrukt dan wel in de spleet bevestigd en vervolgens vastgezet met raffia, entgaren of elastiek.

Deze vorm van enten werd in het verleden veel toegepast bij bijv. hoogstamvruchtbomen; prieelberken (Betula pendula 'Youngii') en sierkerssoorten (Prunus) op half- of hoogstam. De ge-ente twijg blijft echter verbonden aan de moederplant gedurende de aangroeiperiode. Zijn de ent en de onderstam eenmaal goed met elkaar vergroeid dan wordt pas de verbinding met de moederplant verbroken. Bij mijn weten wordt deze vorm van vermeerderen in Nederland niet meer bedrijfsmatig toegepast omdat ze vrij arbeidsintensief is.

HOME
VORIGE PAGINA


TEKEN GASTENBOEK