|
Hoop en licht.
Ik kijk door een beslagen raam en luister. Schimmen; angstigmakend, zacht, gefluister. Ik wrijf de spinnenwebben uit mijn oog. Ik schud de kilte uit mijn lichaam. Ik kijk omhoog zie dan heel ver jouw gezicht. Schimmen vervagen. Ik voel me gedragen door hoop en licht. Jij brengt mij licht en geeft mij hoop.
Jij bènt mijn licht; jij
bènt
mijn hoop! |
||||||||||||||||||||
|
Op Reis Waar is de grens tussen vreugde en verdriet? Ik leef in twee werelden van vreugde en verdriet. De grens die weet ik niet. Dan weer manisch vrolijk, dan weer depressief verdriet. Die grens die weet ik niet. Mijn grens heb ik bereikt. Ik ga op reis, een lange reis van korte duur. Huil niet mijn lief, geef mij je hand, dan maken we deze reis verder elkaar vertroostend samen. …………………………………………………… ……………………………………! |
||||||||||||||||||||
|
Dat land. Er is een land zo heel dichtbij waar alles mag en alles kan. Een land voor haar, een land voor hem, een land voor jou en mij. In dat land is niemand koning, niemand speelt de baas Liefde en vertrouwen; begrip en medeleven, zijn er de wet. Waar is dat land te vinden? Waar zou dat kunnen zijn? Iedereen mag daar gaan wonen; iedereen vindt daar een thuis. Groot en klein; blank en zwart Dat mooie land is altijd heel dichtbij: Het is te vinden in je hart! |
||||||||||||||||||||
Deportatie
De wonden op zijn huid zijn wel geheeld; de striemen zijn de tekens van protest. De wonden in zijn geest; de beelden van bloed en afgehakte lichaamsdelen, komen elke nacht weer terug! Zijn land heet ‘veilig’, hij mag hier niet langer blijven. Maar altijd weer ziet hij dat huis; die straat. Daar ligt zijn vader, daar zijn moeder, zijn zus van amper tien verkracht en blauwgeslagen. Zijn land heet ‘veilig’, dus hier hij mag niet langer blijven! Wie helpt hem daar om te ‘vergeten?’ en dan nog eens ‘vergeven’ ook? De angst zit diep; de pijn heeft zijn geest gespleten! En weer ziet hij die straat, dat bloed! Hij buigt zijn hoofd en huilt. Hij mag hier niet langer blijven zijn land heet ‘veilig’; veiligheid in angst en eenzaamheid! Maar bij ons mag hij niet langer blijven! |
||||||||||||||||||||
Een opgestoken hand een glimlach of een knipoog 't Zijn die gewone kleine dingen die grote wonderen doen. Een klopje op de schouder een knikje of een zoen. 't zijnde hele kleine dingen, die grote wonderen doen 't Zijn vaak juist die kleine dingen bijna ongemerkt, de warme straling uit een oogopslag heel gewoon maar toch belangrijk. Het zijn die hele kleine heel gewone dingen die vaak vreselijk grote wonderen doen! |
||||||||||||||||||||
Vijf uur, niet geheel meer donker, ver weg fluit een merel! Nauwelijks teruggekeerd uit een droom stap ik uit mijn bed en in mijn kleren; de merel roept nog steeds! Ik ril en ruik de zoete geuren in het vroege morgenlicht van bloemen van de sneeuwbalstruik vermengd met muurbloem en vochtige dampende aarde. Met alle zintuigen ervaar ik de waarde van nieuw begonnen leven, voel me geheel omgeven door de LENTE! |
||||||||||||||||||||
Mijn hart staat open; de warmte en het licht stralen en vermengen zich met de zon na de kilte van de winter geniet ik van de heldere warmte van de nieuwe lente. |
||||||||||||||||||||
De nachtegaal doet mij ontwaken. Ik luister naar zijn mooie lied. Dan moet ik plassen. Terug in bed voel ik je warmte; je fijne vrouwenlichaam zacht en glad. De nachtegaal fluit - nog steeds – zijn lied. Ik wil niet wakker worden, ik blijf. Bij jou! |
||||||||||||||||||||
De diepgeplooide haast gelooide hand; het ruwe en gekloofde eelt aan de binnenkant vertelt meer, veel meer dan zijn verhalen zeggen kunnen De nek gekleurd door zonnebrand de rug wat rond en kromgebogen het lichaam stram. Ooit zo sterk en nu getekend door het harde zware werk. De oude fletsblauwe waterige ogen, - bijna blind - lijken in eindeloze verten te kijken; de onbegrepen verten van een kind. |
||||||||||||||||||||
De nacht van sombere gedachten maakt plaats voor licht en zon. De wolken van mijn geest hangen nog als flarden niet méér dan resten van wat het is geweest. De levenszonnestralen helder, fel en warm verdrijven met hun kracht de zware duisternis uit mijn hoofd. Ik voel de warmte het leven lacht! |
||||||||||||||||||||
Ik trof een vrouw zij stal mijn waarde mijn alles wat ik heb op aarde zij stal - met triomf in haar blik - mijn IK en smeet het weg Mijn andere ik heeft IK weer teruggevonden we hebben haar haar daad vergeven en trekken voortaan zonder wrok - gewaarschuwd en wijzer - samen verder door het leven! |
||||||||||||||||||||
Door beslagen ramen kijk ik wazig in het duister, sterren zijn er niet; onverwerkt verdriet. In stil verlangen fluister ik je naam. Het lijkt zo kort, het is zo lang geleden! Ver verleden. Wanneer ik wakker word huil ik in mijn slaap. Niemand die het hoort of ziet mijn onverwerkt, diep en stil verdriet! |
||||||||||||||||||||
Aan de waterkant sta ik te denken. De rust, de stilte doen me goed! Een film draait aan mij voorbij; wie ik was en wie ik ben. Ik doe een stap opzij en voel de wind. Het water spiegelt. Als ik kijk, zie ik een oude man. Waar is het kind, met ondeugd en kwajongensstreken, dat huist in mij? De rimpels, die ik dan zie Komen door het spel van het water en de wind ………………………………..! |
||||||||||||||||||||
Een bloem zo mooi, zo teer! Een zachte kleur, een fijne geur! Een straaltje zon In het hart, dat opent zich door de warmte. Ik volg de straal Wandel naar binnen, verdwijn in het licht, zie jouw gezicht en wil je beminnen! |
||||||||||||||||||||
Vandaag Een warme dag, Heb ik genoten van de zon, die levenskracht geeft aan al dat leeft al sinds de tijd dat al het leven ooit begon! Ik zag de bijen, Bloemen, wespen, vliegen, muggen en de vlinders. Het morgen- en het avondrood. En heel stil, het was al bijna donker, vlak voor mijn voeten een oranje zandoog; hij was dood! Een wesp was heel vakkundig als een arts het dier van de vlegels te ontdoen. Voorzichtig Heb ik de wesp zijn prooi ontnomen en veilig opgeborgen in de holte van mijn hand! Toen heb ik even zitten dromen over fladderen en vlinderen over rupsen als mijn kinderen. Het diertje ligt nu roerloos, angstig stil; de schoonheid is nog niet geheel verdwenen, op tafel, als herinnering aan een dag zo vol van leven in de gloeiend hete zomerzon! |
||||||||||||||||||||
De boer, hij had vier kippen en een haan, twee zeugen en een beer, vijf koeien en een stier, een paard en ook een wagen. Hij zaaide graan, pootte aardappels en maaide het gras met een zeis. Hij bewerkte het land van ’s morgens vroeg tot ‘s avonds laat maar was gelukkig De tractor kwam, het paard verdween. De melkmachine, veertig koeien. Weg het graan, en aardappels! Hij werkte hard verdiende veel, Waar was zijn geluk gebleven? Het land verhuurd, de kippen dood, de koeien en de varkens naar de slager; de tractor rijdt niet meer. De afbraak kraait victorie er rest hem, 82 jaar, niets anders dan vergane glorie! |
||||||||||||||||||||
Ik reik je mijn hand, dan voel je mijn warmte. Ik maak je een deel van mijn geest voel dan mijn hart voor je kloppen, hoe mijn bloed door de aderen stroomt Ik reik je mijn hand om je tranen te drogen je lippen te strelen je de sterkte en rust te geven die je verdient. Ik reik je mijn hand geef mij dan de jouwe om samen verder te gaan in ’t volste vertrouwen voor eeuwig naast elkaar te staan! Reik mij jouw hand dan gaan we samen, als altijd, elkaar dragend en steunend om elkaars liefde te voelen, als een beschermende band! |
||||||||||||||||||||
De avondzon staat laag, ’t is herfst, en doet aan heel de horizon de donkere zwarte wolken met brandend rose-gele gloed verzachten Een stormvlaag waarschuwt af en toe voor de komst van een verandering en laat de dorre bladeren kolken de leeftijd maakt je soms zo moe. Maar in de schoonheid van je eigen herfst kun je nog zoveel moois verwachten! |
||||||||||||||||||||
Mijn vriend: Reik mij een hand om mij te steunen. Toon mij de band om mij te troosten. Geef mij je schouder om mijn tranen te drogen. Fluister een woord om te begrijpen. Leen mij een oor en hoor wat me boeit. Kijk in mijn blik en zie wat me vermoeid. Schrijf mee een brief om antwoord te geven. Geef me een hart om verder te leven! Toch blijft in mij altijd, altijd het langst die diepe, die vreselijke, allesverlammende angst! |
||||||||||||||||||||
De ochtend is net wakker ‘t is kil en koud een jaargetijde waar ik zo veel van houd. De felle oostenwind, onstuimig, ongedurig, trekt sporen in de lucht jaagt bladeren op de vlucht. Toont samen met de felle zonnestralen dansende schaduwen en kleuren als gedrochten en als feeën. Samen met de geuren van vocht en rijpe vruchten; spreeuwen, die in grote vluchten wolken maken in de luchten roept dit mij naar buiten! Ik trek mijn jas tot boven toe maar dicht en stap in het nog duistere morgenlicht met de bedwarmte nog als bescherming om te genieten, want, ’t is herfst! |
||||||||||||||||||||
Toen ik gister dacht aan morgen dacht ik aan vandaag. Donkere wolken diepe zorgen! De vandaag van toen is vandaag weer gisteren en morgen is vandaag ’t Is vandaag niet meegevallen met de zorgen van vandaag! Morgen, ’t was toen overmorgen, zal het vast niet beter zijn; elke dag zijn eigen, nieuwe zorgen. Nieuw leed, ergens anders pijn! We kunnen het tenslotte ook niet laten om elkaar steeds weer en meer te haten, omdat wij mensen, zulke stomme sukkels zijn! |
||||||||||||||||||||
Als de agent de volgende dag Bij het ontbijt zijn krantje leest Is ’t al te laat: “Jochie van zeven valt van vijfhoog dood op straat!” |
||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||
Vanmorgen ’t was pas half vijf werd ik gewekt. Een stukje raam was onbedekt en maanlicht streelde zo mijn slaperig gezicht. Ik kon niet anders dan, nieuwsgierig als ik ben, mijn bed uitkomen om te genieten van het licht en de serene stilte van de nacht en zo, geheel ontwaakt, ver weg te kunnen dromen! |
||||||||||||||||||||
Och, was die tijd er weer, die ‘goede’ tijd, zoals weleer! De vorige eeuw, zo lang geleden! Een dik pak sneeuw, een kerstboom vol met zelfgemaakte slingers en van zilverpapier gepropte ballen. Echte kaarsjes en de spanning! – ‘brandgevaar!’ Geknutselde, geplakte engeltjes en natuurlijk…….. engelenhaar! De mandarijnen vol met pitten en zoete chocolademelk met vellen. Het is nu allemaal herinnering, waarover we nog slechts vertellen. Alles moet nu heel perfect; de ballen en de slingers uit de winkel glimmen de lampenkaarsjes hebben knipperend effect. Och was die heuse, beetje sobere sfeer van toen met kerst er toch maar weer! |
||||||||||||||||||||
|