Ik kijk

Hoop en licht.


Ik kijk

door een beslagen raam

en luister.

Schimmen;

angstigmakend,

zacht, gefluister.

Ik wrijf

de spinnenwebben

uit mijn oog.

Ik schud

de kilte

uit mijn lichaam.

Ik kijk

omhoog

zie dan heel ver

jouw gezicht.

Schimmen vervagen.

Ik voel

me gedragen

door hoop

en licht.

Jij brengt mij licht

en geeft mij hoop.


Jij bènt mijn licht;

jij bènt mijn hoop!








Ik kijk

Op Reis

Waar is de grens

tussen vreugde en verdriet?

Ik leef in twee werelden

van vreugde en verdriet.

De grens

die weet ik niet.

Dan weer manisch vrolijk,

dan weer depressief verdriet.

Die grens

die weet ik niet.

Mijn grens heb ik bereikt.

Ik ga op reis,

een lange reis van korte duur.

Huil niet mijn lief,

geef mij je hand,

dan maken we deze reis

verder elkaar vertroostend samen.

……………………………………………………

……………………………………!








Ik kijk

Dat land.

Er is een land

zo heel dichtbij

waar alles mag

en alles kan.

Een land voor haar,

een land voor hem,

een land voor jou en mij.

In dat land is niemand koning,

niemand speelt de baas

Liefde en vertrouwen;

begrip en medeleven,

zijn er de wet.

Waar is dat land te vinden?

Waar zou dat kunnen zijn?

Iedereen mag daar gaan wonen;

iedereen vindt daar een thuis.

Groot en klein;

blank en zwart

Dat mooie land is altijd heel dichtbij:

Het is te vinden

in je hart!









Ik kijk

Deportatie


De wonden op zijn huid zijn wel geheeld;

de striemen

zijn de tekens van protest.

De wonden in zijn geest;

de beelden

van bloed

en afgehakte lichaamsdelen,

komen elke nacht weer terug!

Zijn land heet ‘veilig’,

hij mag hier niet langer blijven.

Maar altijd weer

ziet hij dat huis;

die straat.

Daar ligt zijn vader,

daar zijn moeder,

zijn zus van amper tien

verkracht en blauwgeslagen.

Zijn land heet ‘veilig’,

dus hier hij mag niet langer blijven!

Wie helpt hem daar

om te ‘vergeten?’

en dan nog eens ‘vergeven’ ook?

De angst zit diep;

de pijn heeft zijn geest gespleten!

En weer ziet hij die straat,

dat bloed!

Hij buigt zijn hoofd

en huilt.

Hij mag hier niet langer blijven

zijn land heet ‘veilig’;

veiligheid in angst en eenzaamheid!

Maar bij ons

mag hij niet langer blijven!










Ik kijk
Kleine dingen, grote wonderen.

Een opgestoken hand
een glimlach
of een knipoog
't Zijn die gewone kleine dingen
die grote wonderen doen.

Een klopje op de schouder
een knikje
of een zoen.
't zijnde hele kleine dingen,
die grote wonderen doen

't Zijn vaak juist die kleine dingen
bijna ongemerkt,
de warme straling
uit een oogopslag
heel gewoon
maar toch belangrijk.
Het zijn die hele kleine
heel gewone dingen
die vaak vreselijk grote wonderen doen!









Ik kijk
Lentekriebels

Vijf uur,
niet geheel meer donker,
ver weg fluit een merel!
Nauwelijks teruggekeerd
uit een droom
stap ik uit mijn bed
en in mijn kleren;
de merel roept nog steeds!

Ik ril
en ruik
de zoete geuren
in het vroege morgenlicht
van bloemen van
de sneeuwbalstruik
vermengd met muurbloem
en vochtige dampende aarde.
Met alle zintuigen
ervaar ik de waarde
van nieuw begonnen leven,
voel me geheel omgeven
door de LENTE!









Ik kijk
Lente.
Ik voel me als een vogel
's morgens vroeg.
Oh! Had ik nu een fluit;
ik zou de tonen laten dansen
op de punten van hun tenen
met de armen wijd gespreid!

Mijn hart staat open;
de warmte en het licht stralen
en vermengen zich met de zon
na de kilte van de winter
geniet ik van de heldere warmte
van de nieuwe lente.









Ik kijk
Een lied in de nacht.

De nachtegaal
doet mij ontwaken.
Ik luister
naar zijn mooie lied.
Dan moet ik plassen.
Terug in bed
voel ik je warmte;
je fijne vrouwenlichaam
zacht en glad.
De nachtegaal fluit
- nog steeds –
zijn lied.
Ik wil niet wakker worden,
ik blijf.
Bij jou!









Ik kijk
Ouderdom

De diepgeplooide
haast gelooide
hand;
het ruwe en gekloofde eelt
aan de binnenkant
vertelt meer, veel meer
dan zijn verhalen zeggen kunnen

De nek gekleurd door zonnebrand
de rug wat rond en kromgebogen
het lichaam stram.
Ooit zo sterk
en nu getekend
door het harde zware werk.

De oude fletsblauwe
waterige ogen,
- bijna blind -
lijken
in eindeloze verten te kijken;
de onbegrepen verten
van een kind.









Ik kijk
Ochtendgloren

De nacht
van sombere gedachten
maakt plaats
voor licht en zon.

De wolken
van mijn geest
hangen nog als flarden
niet méér dan resten
van wat het is geweest.

De levenszonnestralen
helder, fel en warm
verdrijven met hun kracht
de zware duisternis
uit mijn hoofd.

Ik voel de warmte
het leven lacht!









Ik kijk
Femme fatale

Ik trof een vrouw
zij stal mijn waarde
mijn alles wat ik heb op aarde
zij stal
- met triomf in haar blik -
mijn IK
en smeet het weg

Mijn andere ik
heeft IK
weer teruggevonden
we hebben haar
haar daad vergeven
en trekken voortaan
zonder wrok
- gewaarschuwd en wijzer -
samen verder door het leven!









Ik kijk
Een gelukkig mens op aarde is een ster aan de hemel;
als je op een heldere nacht naar boven kijkt,
dan zie je dat er wel onmetelijk veel gelukkige mensen
op aarde moeten zijn









Ik kijk
Onverwerkt verdriet

Door beslagen ramen
kijk ik
wazig
in het duister,
sterren zijn er niet;
onverwerkt verdriet.
In stil verlangen fluister
ik je naam.
Het lijkt zo kort,
het is zo lang geleden!
Ver verleden.
Wanneer ik wakker word
huil ik in mijn slaap.
Niemand die het hoort of ziet
mijn onverwerkt, diep en stil verdriet!










Ik kijk
Wie ben ik?

Aan de waterkant
sta ik te denken.
De rust, de stilte
doen me goed!

Een film draait
aan mij voorbij;
wie ik was en
wie ik ben.
Ik doe een stap opzij
en voel de wind.

Het water spiegelt.
Als ik kijk,
zie ik een oude man.
Waar is het kind,
met ondeugd
en kwajongensstreken,
dat huist in mij?
De rimpels, die ik dan zie
Komen door het spel
van het water en de wind
………………………………..!










Ik kijk
Voor jou!

Een bloem
zo mooi, zo teer!
Een zachte kleur,
een fijne geur!
Een straaltje zon
In het hart,
dat opent zich
door de warmte.
Ik volg de straal
Wandel naar binnen,
verdwijn
in het licht,
zie jouw gezicht
en wil
je beminnen!









Ik kijk
Wat is geluk?

Vandaag
Een warme dag,
Heb ik genoten van de zon,
die levenskracht geeft
aan al dat leeft
al sinds de tijd
dat al het leven ooit begon!
Ik zag de bijen,
Bloemen, wespen, vliegen, muggen en de vlinders.
Het morgen- en het avondrood.
En heel stil, het was al bijna donker,
vlak voor mijn voeten
een oranje zandoog;
hij was dood!
Een wesp was heel vakkundig
als een arts
het dier van de vlegels te ontdoen.
Voorzichtig
Heb ik de wesp zijn prooi ontnomen
en veilig
opgeborgen in de holte van mijn hand!
Toen
heb ik even zitten dromen
over fladderen en vlinderen
over rupsen als mijn kinderen.
Het diertje ligt nu roerloos,
angstig stil;
de schoonheid is nog niet geheel verdwenen,
op tafel, als herinnering
aan een dag zo vol van leven
in de gloeiend hete zomerzon!









Ik kijk
Vergane glorie


De boer,
hij had vier kippen en een haan,
twee zeugen en een beer,
vijf koeien en een stier,
een paard en ook een wagen.
Hij zaaide graan,
pootte aardappels
en maaide het gras met een zeis.
Hij bewerkte het land
van ’s morgens vroeg
tot ‘s avonds laat
maar was gelukkig

De tractor kwam, het paard verdween.
De melkmachine, veertig koeien.
Weg het graan,
en aardappels!
Hij werkte hard
verdiende veel,
Waar was zijn geluk gebleven?

Het land verhuurd,
de kippen dood,
de koeien en de varkens naar de slager;
de tractor rijdt niet meer.
De afbraak kraait victorie
er rest hem,
82 jaar,
niets anders dan
vergane glorie!










Ik kijk
Na de hittegolf.
De regen
valt met bakken uit de lucht
en opgelucht
haalt Nederland weer adem.
Het lichaam bruinverbrand
vol met insectenbeten.
De stank van zweet
wordt door de regen weggewassen;
de barbecue geblust!
De zwembroek uit,
de stropdas om.
Uitgerust
en sterk
gaat Nederland vanmorgen
vol goede moed
getrouw weer aan het werk!










Ik kijk
Ik reik je mijn hand.

Ik reik je mijn hand,
dan voel je mijn warmte.
Ik maak je een deel van mijn geest
voel dan mijn hart voor je kloppen,
hoe mijn bloed door de aderen stroomt

Ik reik je mijn hand
om je tranen te drogen
je lippen te strelen
je de sterkte en rust te geven
die je verdient.

Ik reik je mijn hand
geef mij dan de jouwe
om samen verder te gaan
in ’t volste vertrouwen
voor eeuwig naast elkaar te staan!

Reik mij jouw hand
dan gaan we samen, als altijd,
elkaar dragend en steunend
om elkaars liefde te voelen,
als een beschermende band!









Ik kijk
Avondzon

De avondzon staat laag,
t is herfst,
en doet aan heel de horizon
de donkere zwarte wolken
met brandend rose-gele gloed verzachten
Een stormvlaag
waarschuwt af en toe
voor de komst van een verandering
en laat de dorre bladeren kolken
de leeftijd maakt je soms zo moe.
Maar in de schoonheid van je eigen herfst
kun je nog zoveel moois verwachten!









Ik kijk
Angst

Mijn vriend:
Reik mij een hand
om mij te steunen.
Toon mij de band
om mij te troosten.
Geef mij je schouder
om mijn tranen te drogen.
Fluister een woord
om te begrijpen.
Leen mij een oor
en hoor wat me boeit.
Kijk in mijn blik
en zie wat me vermoeid.
Schrijf mee een brief
om antwoord te geven.
Geef me een hart
om verder te leven!

Toch blijft in mij altijd, altijd het langst
die diepe, die vreselijke, allesverlammende angst!









Ik kijk
De schoonheid van de herfst.

De ochtend is net wakker
t is kil en koud
een jaargetijde
waar ik zo veel van houd.
De felle oostenwind,
onstuimig, ongedurig,
trekt sporen in de lucht
jaagt bladeren op de vlucht.
Toont samen met de felle zonnestralen
dansende schaduwen
en kleuren
als gedrochten en als feeën.
Samen met de geuren
van vocht
en rijpe vruchten;
spreeuwen, die in grote vluchten
wolken maken in de luchten
roept dit mij naar buiten!
Ik trek mijn jas tot boven toe maar dicht
en stap in het nog duistere morgenlicht
met de bedwarmte nog als bescherming
om te genieten,
want,
t is herfst!









Ik kijk
Sukkels

Toen ik gister dacht aan morgen
dacht ik aan vandaag.
Donkere wolken diepe zorgen!
De vandaag van toen
is vandaag weer gisteren
en morgen is vandaag
t Is vandaag niet meegevallen
met de zorgen van vandaag!
Morgen, ’t was toen overmorgen,
zal het vast niet beter zijn;
elke dag zijn eigen, nieuwe zorgen.
Nieuw leed, ergens anders pijn!
We kunnen het tenslotte ook niet laten
om elkaar steeds weer en meer te haten,
omdat wij mensen,
zulke stomme sukkels zijn!









Ik kijk
Onbegrip!
In een stil hoekje van het plein
Staat een jochie van een jaar of zeven
Vol met blauwe plekken en met bulten
Zachtjes snotterend te snikken en te huilen.
De wijkagent, die net zijn ronde doet
Kijkt hem eens aan en vraagt zich af
wat zal er met dat ventje zijn?”
kun je mij vertellen wat er is?
Ben je gestruikeld of gevallen?
Hebben ze jou als bal gebruikt?”
Nee meneer agent” wordt door het manneke gefluisterd
en hij droogt met zijn mouw de tranen van zijn snuit
verheugt dat er eindelijk iemand naar hem luistert.
Nou vertel mij maar: wie is de dader?”
angstig kijkt het ventje naar omhoog
en lispelt tussen de dikgezwollen lippen:
Mijn vader”
streng kijk de agent hem nu aan
ik wou dat je niet zo loog.
Er is immers geen enkele vader,
die zijn kind zo vreselijk zal slaan!
Over zoiets mag je toch niet jokken?
Ga maar gauw naar huis
En zeg je pa wat je mij net hebt verteld!”
Hoofdschuddend beent de diender verder
Hoe kan een kind zoiets verzinnen?
Het ventje kleurt van blauw naar rood:
Als ik hem dat zeg” stottert hij
Slaat hij me zeker dood!”

Als de agent de volgende dag
Bij het ontbijt zijn krantje leest
Is ’t al te laat:
Jochie van zeven
valt van vijfhoog dood op straat!









Ik kijk
                                               Samen

Kom mijn lief
en sluit je ogen
laat mij je leiden.
We gaan op reis


Voel mijn lief
Dat bonzen
Is mijn hart
Die geeft warmte
Aan mijn lichaam
en mijn geest

Vertrouw me maar!

Bonst uit vreugd en smart!


Volg me lief
we gaan nu dromen
samen hand in hand
naar een ver vreemd land



Hoor mijn lief
de zachte tonen
van het water en de wind.
De zon daalt
t wordt al later.

Ik breng je daar!

We moeten terug!


Kijk eens lief
daar in de verte
ligt het paradijs.
De sluwe slang,
reeds lang verdwenen,
doet geen mens meer kwaad.



Ontwaak mijn lief,
open nu maar je ogen.
Schrik niet
van het felle licht.
Verstop je
in mijn armen
De appel smaakt!

IK HEB JE LIEF!











Ik kijk
Vanmorgen.

Vanmorgen
t was pas half vijf
werd ik gewekt.
Een stukje raam was onbedekt
en maanlicht
streelde zo mijn slaperig gezicht.
Ik kon niet anders dan,
nieuwsgierig als ik ben,
mijn bed uitkomen
om te genieten van
het licht en de serene stilte van de nacht
en zo, geheel ontwaakt,
ver weg te kunnen dromen!











Ik kijk
Toen.

Och, was die tijd er weer,
die ‘goede’ tijd, zoals weleer!
De vorige eeuw,
zo lang geleden!
Een dik pak sneeuw,
een kerstboom
vol met zelfgemaakte slingers
en van zilverpapier gepropte ballen.
Echte kaarsjes
en de spanning! – ‘brandgevaar!’
Geknutselde, geplakte engeltjes
en natuurlijk…….. engelenhaar!
De mandarijnen vol met pitten
en zoete chocolademelk met vellen.
Het is nu allemaal herinnering,
waarover we nog slechts vertellen.
Alles moet nu heel perfect;
de ballen en de slingers uit de winkel glimmen
de lampenkaarsjes hebben knipperend effect.
Och was die heuse, beetje sobere sfeer
van toen met kerst
er toch maar weer!









TUINVLINDER
VORIGE PAGINA
GEDICHTEN HILDE
TEKEN GASTENBOEK.